Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

Reïntegratiebesluit

 

 

 

Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2015   Wijziging Stb. 2014, 518 Stb. 2014, 518
  Wijziging Stb. 2014, 348 Stb. 2014, 348
01-06-2014   Wijziging Stb. 2014, 177 Stb. 2014, 178
06-01-2014   Wijziging Stb. 2013, 495 Stb. 2013, 494
01-01-2013   Wijziging Stb. 2012, 656 Stb. 2012, 656
28-12-2012   Wijziging Stb. 2012, 658 Stb. 2012, 657
01-01-2010   Wijziging Stb. 2009, 591 Stb. 2009, 590
  Wijziging Stb. 2009, 587 Stb. 2009, 581
18-09-2009   Wijziging Stb. 2009, 378 Stb. 2009, 378
01-01-2009   Wijziging Stb. 2008, 602 Stb. 2008, 602
31-12-2008 07-07-2006
art. 15a
Wijziging Stb. 2008, 602 Stb. 2008, 602
01-01-2007   Wijziging Stb. 2006, 450 Stb. 2006, 450
29-12-2005   Nieuwe regeling Stb. 2005, 622 Stb. 2005, 622

 

 

BESLUIT van 2 december 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratiebesluit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juli 2005, Directie Sociale verzekeringen, nr. SV/R&S/05/51579;
     Gelet op artikel 2.17, achtste lid, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 52d en 87 van de Ziektewet, de artikelen 34, tweede lid, 35, vierde lid, en 36, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 65c, vijfde lid, 65d, vierde lid, en 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 59b, 59f, vijfde lid, en 59g, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de artikelen 67a, vijfde lid, 67b, vierde lid, en 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
     De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2005, nr. W12.05.0322/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S /05/95731;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering of inkomensvoorziening op grond van de WAZ, de Wajong of de WAO;
b. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. Wajong: de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
d. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

 

Art. 1a. Wettelijke grondslag
Dit besluit berust op de artikelen 34a, eerste en derde lid, 35, vierde lid,¹ en 36, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet WIA, de artikelen 65c, vijfde lid, en 65d, vierde lid, van de WAO, de artikelen 2:22, vierde lid, 2:23, eerste en derde lid,² 3:67, vijfde lid, en 3:68, vierde lid, van de Wajong en de artikelen 67a, vijfde lid, en 67b, vierde lid, van de WAZ.

1. Volgens de redactie dient "vierde lid" te worden vervangen door: vijfde lid.
2. Gelet op het bepaalde in artikel Igg, eerste lid, onderdeel e, van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580) dient volgens de redactie na "2:23, eerste en derde lid" te worden ingevoegd: , 2:25, vijfde lid, 2:26, vierde lid.

 

Art. 2. Uitgangspunten verstrekking subsidie en verlening voorzieningen [Bvh]
-1. Een subsidie als bedoeld in artikel 36 van de Wet WIA of een voorziening als bedoeld in de artikelen 34a, eerste lid, en 35 van de Wet WIA en de artikelen 2:22 en 2:23, eerste lid, van de Wajong wordt niet verstrekt respectievelijk verleend indien het kosten van een voorziening of een voorziening betreft:
a. die algemeen gebruikelijk is; of
b. waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een in dat lid bedoelde subsidie of voorziening worden verstrekt respectievelijk worden verleend indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing op de verlening van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie.
-4. Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid, uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.

 

Art. 3. Geen subsidie en voorzieningen bij geringe kosten [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15] [Bvh]
-1. Een subsidie als bedoeld in artikel 36 van de Wet WIA wordt niet verstrekt indien de kosten, bedoeld in dat artikel, minder bedragen dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals laatstgenoemd artikel luidde op 1 januari van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.
-2. Indien de gezamenlijke waarde van voorzieningen waarvoor in een kalenderjaar een subsidie is aangevraagd als bedoeld in artikel 36 van de Wet WIA, een bedrag ter hoogte van 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, overtreft, kan het UWV de werkgever subsidie verstrekken ter hoogte van die gezamenlijke waarde.
-3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de verlening van voorzieningen als bedoeld in de artikelen 34a, eerste lid, en 35 van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong.

 

Art. 4. Op het individu gerichte voorzieningen [Bvh]
Een voorziening als bedoeld in de artikelen 34a, eerste lid, en 35 van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong wordt slechts verleend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht.

 

 

§ 2.  Voorzieningen

 

Art. 5. Inkomenstoets (leef)vervoersvoorzieningen [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, tweede lid, onderdeel a, van de Wajong worden niet verleend of worden beëindigd indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of voortzetting van een verleende voorziening wordt overwogen, meer bedraagt dan 261 maal 70% van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-2. Indien het inkomen van de persoon, bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties onderhevig is, wordt voor de toepassing van het eerste lid de som van het inkomen over het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar en het inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door drie.
-3. Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een bruikleenauto.
-4. Bij ministeriële regeling: [Rr]
a. worden regels gesteld over de wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, waarbij kan worden bepaald dat bij de vaststelling van het inkomen mede in aanmerking wordt genomen het inkomen van de echtgenoot, de partner of een ander gezinslid van de in het eerste lid bedoelde persoon;
b. kan het in het eerste lid bedoelde percentage voor categorieën van personen worden verhoogd; en
c. kan worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt bij de verlening van nader te bepalen vervoersvoorzieningen.
-5. Beëindiging van de vervoersvoorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.

 

Art. 6. Leefvervoersvoorziening [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 35, derde lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, derde lid, van de Wajong wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.
-2. Na beëindiging van een vervoersvoorziening verleend op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA of artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien in de beschikking van het UWV waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van twaalf maanden.

 

Art. 7. Intermediaire activiteiten voor personen met een auditieve, visuele of motorische handicap [Bia] [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. De verlening van een intermediaire activiteit als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel b, van de Wet WIA en artikel 2:22, tweede lid, onderdeel b, van de Wajong vindt plaats door vergoeding van de kosten voor de bemiddeling bij het vinden van en voor het gebruik van een intermediaire activiteit.
-2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste worden verleend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal uren dat de persoon met een auditieve, motorische of visuele handicap per kalenderjaar in dienstbetrekking verricht.
-3. Het UWV kan van het in het tweede lid bedoelde percentage afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Art. 8. Overname van voorzieningen
-1. Het UWV kan indien één of meer feiten op grond waarvan een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA of artikel 2:22 van de Wajong is verleend zodanig wijzigen dat de verlening van de voorziening niet langer is aangewezen, of indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract afloopt, een belanghebbende de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de op dat moment in het maatschappelijke verkeer geldende waarde van een dergelijke voorziening niet te boven gaat.
-2. Indien de voorziening, bedoeld in het eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen.

 

 

§ 3.  Subsidieregeling werkgevers

 

Art. 9. De aanvraag van subsidie
-1. Bij een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt de werkgever ten minste de volgende gegevens:
a. het aansluitingsnummer van de werkgever bij het UWV;
b. het burgerservicenummer van de werknemer;
c. de naam van de werknemer;
d. de datum van aanvang, de aard en de omvang van de dienstbetrekking;
e. het loon van de werknemer;
f. een overzicht van de gemaakte of de te maken kosten;
g. een onderbouwing van de noodzaak tot het maken van de kosten;
h. gegevens waaruit blijkt op grond waarvan de werknemer volgens de werkgever een structurele functionele beperking heeft; en
i. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO of artikel 25, tweede lid, van de Wet WIA.
-2. Bij een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Wet WIA verstrekt de werkgever ten minste de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met d en f tot en met h.

 

Art. 10. Bepaling kosten werkgever
-1. Bij de beoordeling en de berekening van de kosten, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet WIA, wordt de omzetbelasting buiten beschouwing gelaten, tenzij de werkgever aantoont dat deze door hem niet kan worden verrekend.
-2. Indien het totaal van de kosten, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet WIA, meer bedraagt dan €|22 689,00, wordt bij de bepaling van de hoogte van de subsidie, bedoeld in dat artikel, rekening gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever bij de te treffen voorziening. De vaststelling van het bedrijfseconomisch voordeel geschiedt met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer aanvaarde bedrijfseconomische normen.

 

Art. 11. Drempelbedrag kosten
-1. Indien de werkgever een werknemer als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA in dienst heeft gehouden, bedraagt het in dat onderdeel bedoeld bedrag:
a.|0,00 indien het loon van de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het naar een jaarbedrag herleide minimumloon bedraagt zoals dat voor de werknemer gold op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar; en
b.|0,00 indien het loon van de werknemer over het kalenderjaar ten minste 50% van het in onderdeel a bedoelde minimumloon bedraagt.
-2. Indien de werkgever een werknemer als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA in dienst heeft genomen, bedraagt het in dat onderdeel bedoelde bedrag:
a.|0,00 indien het loon van de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het minimumloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt; en
b.|0,00 indien het loon van de werknemer over het kalenderjaar ten minste 50% van het minimumloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de subsidie, bedoeld in artikel 36 van de Wet WIA, wordt verstrekt ten behoeve van een werknemer als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA voor wie de werkgever geen korting als bedoeld in artikel 49 van de Wet financiering sociale verzekeringen kan toepassen.

 

Art. 12. Subsidie ten behoeve van persoonlijke ondersteuning
-1. Een subsidie op grond van artikel 36, vierde lid, van de Wet WIA met betrekking tot de noodzakelijke persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel d, van de Wet WIA en artikel 2:22, tweede lid, onderdeel d, van de Wajong, kan worden verleend, indien:
a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong, gericht op het kunnen uitvoeren van de hem opgedragen taken;
b. de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong bedoelde persoon zonder een systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen taken te verrichten;
c. de omvang en de kwaliteit van de door de werkgever geboden persoonlijke ondersteuning passend is;
d. de persoon voor wie subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met de persoonlijke ondersteuning door de werkgever; en
e. de persoon voor wie subsidie wordt gevraagd geen persoonlijke ondersteuning krijgt als bedoeld in artikel 18.
-2. De persoonlijke ondersteuning kan in het eerste jaar, tweede jaar en de daaropvolgende jaren van verlening worden verleend voor een aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5% en 6% van het aantal uren per kalenderjaar dat de aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong bedoelde persoon opgedragen taken in beslag neemt.
-3. Het UWV kan van de in het tweede lid bedoelde percentages afwijken voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

 

§ 4.  Voorzieningen ten behoeve van zelfstandigenarbeid

 

Art. 13. (Leef)vervoersvoorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Het UWV kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong vervoersvoorzieningen verlenen die ertoe strekken dat die persoon zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.
-2. Het UWV kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid op aanvraag vervoersvoorzieningen verlenen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op de verlening en beëindiging van voorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn de artikelen 5, 6 en 8 van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 14. Intermediaire voorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [Bia] [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Het UWV kan op aanvraag ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong met een auditieve, visuele of motorische handicap intermediaire activiteiten verlenen.
-2. Artikel 7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op het eerste lid.

 

Art. 15. Starterskrediet en begeleiding bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Het UWV kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening of borgtocht verstrekken tot ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, indien: [Rr]
a. de arbeidsmarktpositie van die persoon daartoe aanleiding geeft; en
b. het starten van het bedrijf naar het oordeel van het UWV voor betrokkene een reële optie is, gelet op diens beperking als gevolg van de handicap en het door hem opgestelde bedrijfsplan.
-2. Het UWV kan op aanvraag van de persoon, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding verstrekken voor de kosten van begeleiding ten behoeve van de start van een bedrijf voor de duur van ten hoogste één jaar na de start van het bedrijf indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b.
-3. Een vergoeding van de kosten van begeleiding ten behoeve van de start van een bedrijf, bedoeld in het tweede lid, vindt niet plaats aan personen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet SUWI of personen met wie een individuele re-integratieovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit SUWI.
-4. Het UWV verstrekt geen lening of borgtocht aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, indien:
a. die persoon surseance van betaling heeft aangevraagd;
b. die persoon failliet is verklaard en het faillissement voortduurt; of
c. er ten aanzien van het faillissement van die persoon geen schuldsanering heeft plaatsgevonden.
-5. Het maximale bedrag van de lening of de borgtocht, bedoeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand oktober daaraan voorafgaand afwijkt van het prijsindexcijfer waarop de laatste vaststelling van het bedrag is gebaseerd en door of namens Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant. [Rr]

 

Art. 15a. Arbeidsplaatsvoorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [BUnv11] [BUnv12] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Het UWV kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong voorzieningen verstrekken ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de aanvrager zijn afgestemd.
-2. Op de verlening van voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, zijn artikel 8, eerste lid, en artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 15b. Inkomenstoets bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15]
-1. Voorzieningen als bedoeld in de artikelen 14 en 15a worden niet verleend of worden beëindigd indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, in het vierde kalenderjaar, dan wel een daaropvolgend jaar, na de aanvang van de arbeid als zelfstandige meer bedraagt dan 261 maal 157% van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-2. Indien het inkomen van de persoon, bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties onderhevig is, wordt voor de toepassing van dat artikellid de som van het inkomen over het in dat artikellid bedoelde kalenderjaar en het inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door drie.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, waarbij kan worden bepaald dat bij de vaststelling van het inkomen mede in aanmerking wordt genomen het inkomen van de echtgenoot, de partner of een ander gezinslid van de in het eerste lid bedoelde persoon.
-4. Beëindiging van de voorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.
-5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van vervoersvoorzieningen ten aanzien waarvan op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel c, is bepaald dat artikel 5, eerste lid, daarop niet van toepassing is.

 

 

§ 5.  Loon- en inkomenssuppletie

 

Art. 16. Hoogte van de loonsuppletie [Bli]
-1. De hoogte van de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c van de WAO, artikel 67a van de WAZ en de artikelen 2:25 en 3:67 van de Wajong, bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de resterende verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat de loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in de dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt minder uren werkt dan waartoe hij bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de loonsuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in deze dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het loon en, indien van toepassing:
a. het inkomen uit bedrijf of beroep;
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 17;
c. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
d. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg; of
f. een uitkering op grond van de Wet WIA;
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

 

Art. 17. Hoogte van de inkomenssuppletie [Bli]
-1. De hoogte van de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d van de WAO, artikel 67b van de WAZ en de artikelen 2:26 en 3:68 van de Wajong, bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de resterende verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende inkomen en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat de inkomenssuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in het bedrijf of beroep minder uren werkt dan waartoe hij bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de inkomenssuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in het bedrijf of beroep arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De inkomenssuppletie bedraagt tezamen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het inkomen uit het bedrijf of beroep en, indien van toepassing:
a. het loon;
b. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 16;
c. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
d. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg; of
f. een uitkering op grond van de Wet WIA;
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

 

 

§ 6.  Overige instrumenten

 

Art. 18. Persoonlijke ondersteuning [BPJ] [BPJU14] [BPJU16] [BUnv13] [BUnv14] [BUnv15] [BUPJ12]
-1. De persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel d, van de Wet WIA en artikel 2:22, tweede lid, onderdeel d, van de Wajong, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van persoonlijke ondersteuning of uit vergoeding van de kosten van persoonlijke ondersteuning.
-2. De persoonlijke ondersteuning wordt slechts verleend, indien:
a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong, gericht op het kunnen uitvoeren van de hem opgedragen taken;
b. de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong bedoelde persoon zonder een systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen taken te verrichten;
c. de persoonlijke ondersteuning wordt gegeven door een persoon die verbonden is aan een door het UWV erkende rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als bedoeld in onderdeel a; en
d. de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong bedoelde persoon niet heeft ingestemd met persoonlijke ondersteuning door de werkgever als bedoeld in artikel 12.
-3. De persoonlijke ondersteuning kan in het eerste jaar, tweede jaar en de daaropvolgende jaren van verlening worden verleend voor een aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5% en 6% van het aantal uren per kalenderjaar dat de aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong bedoelde persoon opgedragen taken in beslag neemt.
-4. Het UWV kan van de in het derde lid bedoelde percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Art. 19. Vervallen.

 

Art. 20. Verlenging termijn no-riskpolis bij verhoogd gezondheidsrisico
Indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in de artikelen 29b en 90 van de Ziektewet wordt vastgesteld dat hij lijdt aan ziekte of gebreken die maken dat hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde lid, van die wet bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar vóór afloop daarvan verlengd indien op dat moment de ziekte of gebreken dan wel het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel van het UWV nog bestaan.

 

 

§ 7.  Overgangsbepalingen

 

Art. 21. Overgangsbepaling hoortoestellen
Artikel 2 zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van het Besluit van 12 december 2012 tot wijziging van het Reïntegratiebesluit in verband met het uitsluiten van de verstrekking van hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie ¹ (Stb. 2012, 656) blijft van toepassing op de verlening van een voorziening in de vorm van een uitwendig hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie indien deze is aangevraagd vóór de dag van inwerkingtreding van dat besluit.

1. Volgens de redactie dient na "hoorfunctie" te worden ingevoegd: en het creëren van een grondslag voor het jaarlijks indexeren van het starterskrediet.

 

Art. 22. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 december 2005.

 

Art. 23. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Reïntegratiebesluit.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 2 december 2005

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus

 

Uitgegeven de achtste december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[2 december 2005]

 

Algemeen

 

     In dit besluit worden nadere regels gesteld met betrekking tot reïntegratie-instrumenten voor personen met structurele functionele belemmeringen. Het betreft de instrumenten arbeidsplaatsvoorzieningen, voorzieningen voor zelfstandigen, loon- en inkomenssuppletie, persoonlijke ondersteuning. Daarnaast worden nadere regels gesteld over de bevoegdheid tot verlening van onderwijsvoorzieningen en over de verlenging van de aanspraak op ziekengeld bij ziekteverzuim tijdens dienstbetrekking (no-riskpolis).
     Deze reïntegratie-instrumenten zijn opgenomen in de Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en in de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA). Om de eenheid van het reïntegratiebeleid te waarborgen, zijn deze nadere regels opgenomen in één besluit. Met de inwerkingtreding van de IWIA is de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) ingetrokken. De op reïntegratie betrekking hebbende bepalingen uit de Wet Rea zijn opgenomen in de materiewetten ZW, Wet WIA, WAO, WAZ en Wajong, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Op grond van deze wetten kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

     Een deel van de bepalingen in dit besluit was eerder opgenomen in verschillende besluiten die hun basis vonden in de Wet Rea. Het betrof het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, het Arbeidsgehandicaptebesluit en het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten (Bsa). Deze regels zijn voor een deel technisch aangepast aan de nieuwe systematiek. Inhoudelijk is in deze gevallen niets gewijzigd. In sommige gevallen is wel sprake van inhoudelijke wijzigingen. Deze inhoudelijke wijzigingen zullen meer aandacht krijgen in deze nota van toelichting.


Uitgangspunten reïntegratiebeleid

     In de memorie van toelichting bij de Wet WIA is uiteengezet welke uitgangspunten gelden voor het reïntegratiebeleid voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten: eenvoud in regelgeving, de aanwezigheid van voldoende ruimte en flexibiliteit voor de uitvoering, een optimale aansluiting van reïntegratieactiviteiten tijdens en na de loondoorbetalingsperiode, het helder maken van voornemens en verwachtingen in concrete schriftelijke afspraken en het voeren van een effectief beleid indien deze afspraken niet worden nagekomen.

     Voor wat betreft het verlenen van arbeidsplaatsvoorzieningen wordt op bovengenoemde uitgangspunten voor het reïntegratiebeleid voortgeborduurd. Daarbij is tevens aangesloten bij de uitgangspunten die golden voor het verlenen van voorzieningen op grond van de Wet Rea:
• voorzieningen worden slechts verleend indien sprake is van structurele functionele belemmeringen bij het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek;
• voorzieningen worden slechts verleend indien zij niet als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken;
• gezocht wordt naar de goedkoopste adequate oplossing;
• voorzieningen worden op het individu gericht verleend;
• geen verlening respectievelijk verstrekking van kruimelvoorzieningen of subsidie bij geringe kosten.


Structurele functionele belemmeringen als gevolg van ziekte of gebrek

     Arbeidsplaatsvoorzieningen kunnen worden verleend aan werknemers die in verband met structurele functionele beperkingen als gevolg van ziekte of handicap zonder de voorziening hun werkzaamheden niet kunnen verrichten. Daarnaast kunnen werkgevers op grond van artikel 36 Wet WIA ten behoeve van deze groep werknemers een aanvraag doen voor subsidie voor tegemoetkoming in de kosten van arbeidsplaatsvoorzieningen. Het UWV moet in het concrete geval beoordelen of het gaat om beperkingen als gevolg van ziekte of handicap die tot beperkingen in het functioneren leiden, of de aandoening en de beperkingen structureel zijn en of de voorzieningen tegemoet komen aan de beperkingen.


Algemeen gebruikelijke voorzieningen

     Op grond van de artikelen 34, 35 en 36 Wet WIA, artikel 2.17 IWIA, artikel 52d van de ZW, artikel 65e van de WAO, artikel 59b van de Wajong en 67c van de WAZ worden slechts voorzieningen verleend die niet tevens als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken. Het uitgangspunt is dat voorzieningen die vanuit andere beleidsterreinen verleend kunnen worden ten laste behoren te komen van die andere terreinen. Ook als dit mede leidt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen van het UWV zijn een aanvulling op de inspanningen die de werkgever reeds verricht op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en het Burgerlijk Wetboek. Alleen als een voorziening vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie, kan vergoeding door het UWV aan de orde zijn. Het is niet de bedoeling dat kosten of diensten worden vergoed die in het algemeen door mensen in verband met werk (in een bepaalde bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt, ook al hangt de aanschaf of het gebruik samen met een ziekte of gebrek. Het oordeel of een bepaalde aanpassing als algemeen gebruikelijk is te beschouwen kan in de loop van de tijd veranderen. Een bepaalde aanpassing die aanvankelijk niet algemeen gebruikelijk is, kan dat na verloop van tijd wel worden.


Goedkoopste adequate oplossing

     Het UWV streeft bij de verlening van arbeidsplaatsvoorzieningen naar een efficiënte inzet van reïntegratiemiddelen. Met het oog op een verantwoorde besteding van gelden weegt het UWV af in hoeverre de gevraagde voorziening de meest adequate oplossing voor de opheffing van de beperkingen is.


Op individu gericht

     Waar mogelijk worden de voorzieningen aan de werknemer verleend als meeneembare voorzieningen. Dit bevordert namelijk diens mobiliteit op de arbeidsmarkt. Voorzieningen moeten in overwegende mate op het individu zijn gericht. Bij de toekenning van voorzieningen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de specifieke belemmeringen die de betrokkene kent.


Geen verlening respectievelijk verstrekking van kruimelvoorzieningen of subsidie bij geringe kosten

     De waarde van de voorziening of de gezamenlijke waarde van de voorzieningen dient boven een bepaald drempelbedrag uit te komen. Voorkomen moet worden dat voor geringe bedragen een subsidie wordt verstrekt. Dit zodat de uitvoeringslasten beperkt blijven. Indien er in een kalenderjaar meer kruimelvoorzieningen noodzakelijk zijn en de gezamenlijke waarde daarvan het drempelbedrag overtreft, kunnen de voorzieningen voor subsidiëring in aanmerking komen.


Arbeidsplaatsvoorzieningen

     Onder arbeidsplaatsvoorzieningen worden verstaan (leef)vervoersvoorzieningen, intermediaire activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele, auditieve of motorische handicap (voorleeshulp, doventolk, hulp bij het opbergen van dossiers) en meeneembare voorzieningen. Bij meeneembare voorzieningen gaat het om voorzieningen ten behoeve van inrichting van arbeidsplaats, productie- en werkmethoden, inrichting van opleidingsplaats en de bij arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen.


Voorzieningen voor zelfstandigen

     Uitgangspunt van reïntegratie is de kortste weg naar werk. Voor bepaalde categorieën gedeeltelijk arbeidsgeschikten zal het starten van een bedrijf een reële mogelijkheid voor reïntegratie zijn. Immers bij zelfstandig ondernemerschap kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte zelf de eigen werkzaamheden, de werktijden of het werktempo bepalen. De reïntegratieondersteuning die het UWV biedt, is daarom niet alleen gericht op werken in loondienst, maar eveneens op het starten als zelfstandige. Zo nodig kan het UWV een reïntegratietraject al dan niet via een individuele reïntegratieovereenkomst (IRO) inzetten ten behoeve van begeleiding van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte naar arbeid als zelfstandige. Het UWV vergoedt kosten voor begeleiding niet apart naast een reïntegratietraject of IRO.

     Op grond van de ZW, de Wet WIA, de WAO, de WAZ en de Wajong is de mogelijkheid opgenomen om voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die het voornemen hebben een eigen bedrijf op te starten voorzieningen te verlenen waardoor zij in staat worden gesteld de werkzaamheden voor het bedrijf te verrichten. Voor de beoordeling van de aanvragen door het UWV gelden eerder genoemde uitgangspunten. Het UWV kan aan hen naast arbeidsplaatsvoorzieningen ook een kredietvoorziening, in de vorm van een starterskrediet, verstrekken waardoor zij in staat worden gesteld de werkzaamheden voor het bedrijf te verrichten. Voor de beoordeling van de aanvragen door het UWV gelden eerder genoemde uitgangspunten.


Loon- en inkomenssuppletie

     De loon- en inkomenssuppletie beoogt de werkhervatting van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de WAZ of de Wajong te bevorderen. Niet altijd zal de betrokkene erin slagen om direct werk te vinden waarmee hij een inkomen kan verwerven dat overeenkomt met zijn vastgestelde verdiencapaciteit, die wordt vastgesteld bij de claimbeoordeling voor de WAO, WAZ of Wajong. Het is mogelijk dat hij werk moet accepteren in een functie met een minder zware belasting, maar ook tegen een lager inkomen dan wat hij volgens de schatting voor genoemde wetten zou kunnen verdienen. Op basis van het uitgangspunt dat het altijd aantrekkelijker moet zijn de werkzaamheden te hervatten, wordt een financiële aanvulling gegeven op het loon of verdiensten uit eigen bedrijf of beroep en de uitkering. Na werkhervatting ontvangt de betrokkene namelijk een tijdelijke aanvulling, waarmee het verschil wordt overbrugd tussen het loon in dienstbetrekking of de verdiensten in het eigen bedrijf of beroep en het bedrag van de vastgestelde resterende verdiencapaciteit. Omdat het hier gaat om werk waarmee minder wordt verdiend dan de resterende verdiencapaciteit, heeft de werkhervatting geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid en voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De suppletie wordt in vier jaarlijkse stappen verlaagd naar nihil. Naar haar aard gaat het namelijk om een regeling die dient ter tijdelijke overbrugging van een verschil tussen wat de betrokkene kan verdienen en wat hij in werkelijkheid verdient. Doordat de overbrugging jaarlijks afneemt, wordt de betrokkene gestimuleerd om zijn verdiensten in overeenstemming te brengen met zijn vastgestelde resterende verdiencapaciteit.


Leeftijdsgrensvoorzieningen

     Met betrekking tot de subsidie ex artikel 36 Wet WIA en de voorziening ex artikel 35 Wet WIA geldt geen leeftijdsgrens. De doelgroep van die instrumenten zijn personen met een "structureel functionele beperking" en dat kenmerk is niet aan een leeftijdgrens gebonden. Overigens zal het niet gelden van een leeftijdsgrens in de praktijk niet tot veel instrumentverleningen boven de leeftijd van 65 jaar leiden, omdat de betreffende instrumenten zijn gekoppeld aan het verrichten van arbeid.


Verlenging van de duur van de no-riskpolis

     In artikel 29b van de ZW is geregeld dat de werknemer die aan de daarin gestelde voorwaarden voldoet aanspraak heeft op ziekengeld bij ziekte gedurende ziektegevallen binnen een periode van vijf jaren. In dit besluit wordt erin voorzien dat die termijn kan worden verlengd.


Administratieve lasten

     Het Reïntegratiebesluit omvat lagere regelgeving op het terrein van reïntegratie. Het betreft grotendeels reeds bestaande regelgeving op grond van de Wet Rea die is aangepast aan de nieuwe systematiek van de Wet WIA en de IWIA. In deze wetten is ook aandacht besteed aan het effect op de administratieve lasten. Waar vereenvoudiging mogelijk is, is deze bij de Wet WIA doorgevoerd. Zo is het verlenen van arbeidsplaatsvoorzieningen door het UWV aan werkgevers en werknemers vereenvoudigd. Met eenvoudiger regels wordt een snelle verlening of verstrekking beoogd.
     In dit besluit worden minder gedetailleerde regels gesteld dan voorheen met betrekking tot de gegevens die aan het UWV moeten worden geleverd bij aanvraag van een starterskrediet en het op te stellen bedrijfsplan. Wel kan het UWV om relevante informatie vragen alvorens een starterskrediet toe te kennen. Het effect op de administratieve lasten wordt op dit moment te onzeker en te klein geacht om te kwantificeren. Volgens het UWV heeft dit besluit nagenoeg geen consequenties voor de uitvoering.

 

 

Artikelsgewijs

 

     Teneinde tot een uniforme begriphantering te komen, is er in het onderhavige besluit voor gekozen om met betrekking tot voorzieningen steeds het begrip "verlenen" te gebruiken. In de Wet Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea werd met betrekking tot voorzieningen gesproken van zowel "verlenen", "verstrekken" als "toekennen", terwijl hieraan geen onderscheid in betekenis ten grondslag lag. Deze wijziging heeft derhalve geen inhoudelijke gevolgen.

 

Artikel 1. Algemene bepalingen

     Opgemerkt wordt dat het niet nodig is het begrip "resterende verdiencapaciteit" te definiëren nu dat reeds in de WAO, WAZ en Wajong wordt gedefinieerd.

 

Artikel 2. Uitgangspunten verstrekking subsidie en verlening voorzieningen

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 2 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, zoals dat artikel luidde vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 2.10 van de IWIA.


Eerste lid

     Op grond van het eerste lid worden de daar genoemde subsidie en voorzieningen niet verstrekt respectievelijk verleend indien het (kosten van) voorzieningen betreft die algemeen gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld een bureau op de juiste hoogte afgesteld) of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.


Tweede lid

     Het tweede lid maakt een uitzondering op het eerste lid, onderdeel b. Een vergoeding of verlening van een voorziening is wel mogelijk als die voorziening vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie ondanks het feit dat vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling openstaat. Concrete voorbeelden zijn: orthopedische werkvoorzieningen of speciale gehoorapparatuur.


Derde lid

     In het derde lid wordt de toepasselijkheid van het proportionaliteitscriterium vastgelegd.

 

Artikel 3. Geen subsidie en voorzieningen bij geringe kosten

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 5b van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.


Eerste lid

     Met het eerste lid wordt beoogd te voorkomen dat er "kruimelsubsidies" worden toegekend. De reden hiervoor is dat de kosten van de te subsidiëren voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan tot de te maken uitvoeringskosten. Subsidie voor voorzieningen die een waarde hebben die ligt boven de in het eerste lid genoemde drempel kunnen worden toegekend.


Tweede lid

     In het tweede lid is bepaald dat het UWV tot toekenning van subsidie als bedoeld in artikel 36 van de Wet WIA kan overgaan indien in een kalenderjaar meer kruimelvoorzieningen, waarvoor subsidie is aangevraagd, noodzakelijk zijn en de gezamenlijke waarde van de voorzieningen het drempelbedrag overtreft.


Derde lid

     Dit artikel is, blijkens het derde lid, ook van toepassing op de verlening van voorzieningen aan startende zelfstandigen en arbeidsplaatsvoorzieningen als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA.

 

Artikel 4. Op het individu gerichte voorzieningen

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 6 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     In dit artikel is geregeld dat de toekenning van voorzieningen in overwegende mate op het individu moet zijn gericht. Deze bepaling is opgenomen omdat het niet in de rede ligt voorzieningen toe te kennen als niet vaststaat wie de gebruikers hiervan zullen worden. Op grond van diverse wettelijke bepalingen kunnen immers uitsluitend voorzieningen worden toegekend aan in die wetten geduide personen. In praktijk zal dit ook betekenen dat bij de toekenning van de voorziening zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de specifieke belemmeringen die de betrokkene vanwege ziekte of gebrek ondervindt en dat hij een zoveel mogelijk op zijn situatie afgestemde voorziening krijgt toegekend.

 

Artikel 5. Inkomenstoets (leef)vervoersvoorzieningen

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 8 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.


Eerste lid

     Op grond van het eerste lid worden vervoersvoorzieningen niet toegekend of worden die voorzieningen beëindigd als het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is toegekend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of voortzetting van een toegekende voorziening wordt overwogen, hoger is dan de "inkomensgrens". Die inkomensgrens wordt overschreden als het inkomen in het kalenderjaar meer bedraagt dan 261 x 70% van het maximumpremieloon per dag. Het maximumpremieloon per dag is het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wfsv, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
     Het stellen van een inkomensgrens met betrekking tot de verlening van vervoersvoorzieningen vormt een nadere invulling van het in dit besluit neergelegde algemene uitgangspunt dat geen subsidie voor kosten van voorzieningen wordt gegeven en geen voorzieningen worden toegekend indien deze algemeen gebruikelijk zijn. Bij een inkomen als hier aangeduid wordt het bezit en gebruik van een auto voor het vervoer van en naar het werk als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Met het oog hierop is voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van de werksituatie gekozen voor een inkomensgrens.
     Opgemerkt wordt dat de inkomensgrens niet van toepassing is als het vervoer betrekking heeft op het kunnen volgen van onderwijs als bedoeld in artikel 2.17 van de IWIA.


Tweede en derde lid

     Het kan zijn dat het inkomen van een persoon in betekenende mate van jaar tot jaar verschilt. In dat geval dient op grond van het tweede lid bij de toepassing van het eerste lid niet te worden uitgegaan van het inkomen in enig kalenderjaar, doch van het gemiddelde inkomen over drie kalenderjaren. In het derde lid is geregeld op welke vervoersvoorzieningen de inkomensgrens in ieder geval van toepassing is.


Vierde lid

     Op grond van dit besluit worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de vaststelling van het inkomen.


Vijfde lid

     In het vijfde lid is bepaald dat de beëindiging van een vervoersvoorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens plaatsvindt met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de betrokken persoon van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.

 

Artikel 6. Leefvervoersvoorziening

     Dit artikel komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 10 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.


Eerste lid

     Het is mogelijk dat een persoon als gevolg van ziekte of gebrek ook beperkingen ondervindt bij zijn leefvervoer, dat is het vervoer voor het deelnemen aan het leven van alledag en het onderhouden van de sociale contacten. Dat leefvervoer wordt dan in de regel verleend door de gemeenten. Om te voorkomen dat een persoon die als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis, bij twee verschillende loketten een vervoersvoorziening zou moeten aanvragen, is aan het UWV de bevoegdheid gegeven ook leefvervoersvoorzieningen, in combinatie met werkvervoersvoorzieningen of onderwijsvervoersvoorzieningen, toe te kennen. Behalve dat betrokkenen op deze wijze slechts met één loket worden geconfronteerd, kunnen beide voorzieningen op deze wijze ook optimaal op elkaar worden afgestemd. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een bruikleenauto die zowel voor werk- als privédoeleinden gebruikt wordt.
     De verbinding die in de artikel 35 van de Wet WIA en artikel 2.17 van de IWIA wordt gelegd tussen de werk- en de leefvoorzieningen duidt er al op dat het bij de verlening van leefvoorzieningen, evenals bij de verlening van werkvoorzieningen, zou moeten gaan om voorzieningen die de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen opheffen of verminderen. In het eerste lid van artikel 35 is immers aangegeven dat de voorzieningen dienen te strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op proefplaats. Artikel 2.17, eerste en tweede lid, van de IWIA geeft ook aan dat de verlening van voorzieningen door het UWV aan personen die onderwijs volgen, gericht is op het wegnemen van belemmeringen die zij vanwege ziekte of gebrek kunnen ondervinden bij het volgen van onderwijs.


Tweede lid

     Artikel 2.17 van de IWIA biedt de mogelijkheid om ook leefvervoersvoorzieningen te verlenen in combinatie met andere voorzieningen dan vervoersvoorzieningen. Anders dan bij de voorzieningen voor personen als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA - waar er reeds een begrenzing in de wet zelf is neergelegd - dient voor de groep personen, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de IWIA (onderwijsvolgenden) de hiervoor omschreven afgrenzing nog te worden gemaakt.


Derde lid

     Ten slotte is in het derde lid bepaald dat indien een werkvervoersvoorziening wordt beëindigd, de reeds toegekende leefvervoersvoorziening nog kan worden voortgezet voor de termijn die was voorzien in de toekenningsbeschikking van het UWV, evenwel tot ten hoogste de duur van twaalf maanden. In de situatie dat er een vervoermiddel in bruikleen is toegekend, wordt ook de aan die voorziening gekoppelde financiële tegemoetkoming in de gebruikskosten daarvan voor dezelfde duur voortgezet. Dit derde lid is onder meer van belang voor degenen aan wie een vervoersvoorziening is toegekend en die werkloos worden. Zou in een dergelijke situatie ook onmiddellijk de leefvervoersvoorziening worden beëindigd, dan zou de betrokkene zich tot de gemeente moeten wenden om daar een leefvervoersvoorziening aan te vragen. Wanneer de betrokkene na korte tijd weer een nieuwe werkkring zou vinden, zou het UWV weer tot toekenning moeten overgaan. Om dit jo-jo-effect te voorkomen, is de onderhavige bepaling in dit besluit opgenomen. Dit derde lid is ook van belang in de situatie van de beëindiging van een vervoersvoorziening ten behoeve van het volgen van scholing of onderwijs en de betrokkene aansluitend daarop nog niet meteen een werkkring heeft kunnen vinden.

 

Artikel 7. Intermediaire activiteiten voor personen met een auditieve, visuele of motorische handicap

     Dit artikel komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 12 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, zij het dat het niet langer slechts betrekking heeft op personen met een auditieve handicap, maar eveneens op personen met motorische of visuele handicap.


Eerste lid

     De verlening van een voorziening vindt plaats door vergoeding van de kosten voor de bemiddeling van en het gebruik van een intermediaire activiteit. In artikel 12 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea werd ook gesproken van het vergoeden van de kosten van het gebruik van zo'n intermediaire voorziening. Daaronder werden tevens verstaan de kosten van bemiddeling van zo’n voorziening. Om eventuele onduidelijkheid hieromtrent te voorkomen, wordt dit in artikel 7 expliciet genoemd. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat hiermee geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd.


Derde lid

     In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om uren toe te kennen boven het in het tweede lid vastgestelde maximum. Deze hardheidsclausule kan bijvoorbeeld worden toegepast in de situatie van bijscholing of bij een inwerkperiode.

 

Artikel 8. Overname van voorzieningen

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 14 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.


Eerste lid

     Dit artikel biedt de mogelijkheid aan een persoon van wie de toekenning van een voorziening wordt beëindigd, om de component die in natura is verleend over te nemen, al dan niet tegen een vergoeding. Kosten van gebruik en onderhoud kunnen dan echter niet meer op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen worden vergoed.
     Een voorziening zal worden beëindigd indien één of meer feiten, op grond waarvan de toekenning van de voorziening is gebaseerd, zodanig veranderen dat er geen aanleiding meer bestaat om de voorziening toe te kennen. Hiervan kan sprake zijn als iemand vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd ophoudt met werken en er geen noodzaak meer bestaat voor een voorziening. Ook kan gedacht worden aan de situatie dat de betrokkene op grond van toename van zijn inkomen niet meer voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen, omdat zijn inkomen boven de voor verlening van vervoersvoorzieningen geldende inkomensgrens is komen te liggen. Daarnaast valt te denken aan de overname van de voorziening door de echtgenoot of partner na het overlijden van een betrokkene. Ook kan worden gedacht aan de situatie dat een jongere zijn opleiding heeft afgerond.
     Indien het UWV geen reden aanwezig acht om de voorziening terug te nemen, kan de voorziening al dan niet tegen een vergoeding aan de betrokkene in eigendom worden verleend. Of er al dan niet een vergoeding moet worden betaald, zal onder meer afhankelijk zijn van de resterende marktprijs van de desbetreffende voorziening.
     In het eerste lid wordt bepaald dat de vergoeding die de betrokkene voor de voorziening moet betalen nooit hoger kan zijn dan de waarde die een dergelijke voorziening op dat moment in het maatschappelijk verkeer heeft.


Tweede lid

     In het tweede lid wordt voorts bepaald dat indien de voorziening als bedoeld in het eerste lid een vervoermiddel betreft, bij het bepalen van de marktprijs moet worden uitgegaan van de voorziening zonder de specifieke aanpassingen in verband met de handicap. Als er redelijkerwijs geen vergelijkbaar niet-aangepast vervoermiddel is te duiden, zal de feitelijke marktwaarde van het specifieke vervoermiddel als zodanig uitgangspunt moeten zijn bij de bepaling van de overnameprijs. Hoewel het onderhavige artikellid betrekking heeft op vervoermiddelen in het algemeen, zal dit artikel in de praktijk vooral van betekenis zijn voor de overname van bruikleenauto’s.
     Wat betreft voorzieningen niet zijnde vervoermiddelen wordt het aan het UWV overgelaten nadere beleidsregels te stellen over het vaststellen van de marktwaarde daarvan, waarbij het overigens in de rede ligt dat dit beleid, voor zover dat gezien de aard van de voorziening mogelijk is, min of meer overeenkomt met hetgeen geldt voor de overname van vervoermiddelen.

 

Artikel 9. De aanvraag van subsidie

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 3 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     Op grond van artikel 36 van de Wet WIA kan de werkgever een subsidie krijgen voor de kosten die hij maakt in verband met de reïntegratie van een werknemer met structurele functionele belemmeringen. In het besluit wordt bepaald welke gegevens bij die aanvraag overgelegd dienen te worden. Met betrekking tot onderdeel h wordt opgemerkt dat het daar bedoelde oordeel kan worden gegeven in de vorm van een gemotiveerde verklaring van de arbodienst of bedrijfsarts waaruit blijkt welke belemmeringen de werknemer heeft en dat de kosten noodzakelijk zijn in verband met de handicap van de werknemer.

 

Artikel 10. Bepaling kosten werkgever

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 4 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.


Eerste lid

     Geen subsidie wordt verleend over de omzetbelasting die aan de werkgever in rekening is gebracht over de middelen of diensten ter reïntegratie. De werkgever kan deze immers in aftrek brengen op de omzetbelasting die hij verschuldigd is. Alleen in die gevallen waarin de werkgever uitsluitend niet met omzetbelasting belaste diensten verricht of producten levert, is geen aftrek mogelijk en wordt ook over de omzetbelasting subsidie verleend.


Tweede lid

     Bij het vaststellen van de hoogte van de meerkosten kan rekening worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever. Van een bedrijfseconomisch voordeel is sprake indien de voorziening een positieve invloed heeft op het bedrijfsresultaat van de werkgever of indien daardoor de kostprijs van de geproduceerde goederen of geleverde diensten wordt verlaagd.

 

Artikel 11. Drempelbedrag kosten

     Het drempelbedrag uit dit artikel is overgenomen uit artikel 16 van de Wet Rea, zoals dat artikel luidde vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 2.10 van de IWIA.
     In dit artikel worden de drempelbedragen voor de subsidie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA, vastgesteld. Het drempelbedrag is afgeleid van het bedrag dat als premiekorting wordt verleend en is afgerond op een rond bedrag. De hoogte van het bedrag is gekoppeld aan de omstandigheid of het gaat om plaatsing of herplaatsing en is gekoppeld aan de hoogte van het loon herleid naar jaarloon (bij plaatsing respectievelijk herplaatsing). De bedragen bij het in dienst houden zijn aldus €|2000,- of €|450,- en bij plaatsing €|6000,- of €|1350,-.

     De werkgever kan een subsidie voor kosten van reïntegratie van werknemers met structurele functionele beperkingen vragen. Waar sprake is van structurele functionele beperkingen bij een werknemer in verband waarmee een subsidie voor kosten van reïntegratie kan worden verleend ten behoeve van aanpassing van de werkplek, maar ten behoeve van de werknemer geen aanspraak bestaat op premiekorting, hanteert het UWV geen drempelbedrag. Dit wordt bepaald in het derde lid.

 

Artikel 12. Subsidie zonder premiekorting

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 5c van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     Dit artikel beoogt te voorzien in het toekennen van subsidie voor meerkosten in het geval de werknemer het dienstverband verbreekt terwijl de werkgever nog geen aanspraak op premiekorting heeft kunnen maken en dat in de toekomst als gevolg daarvan ook niet zal kunnen. Eenzelfde situatie kan zich voordoen indien uiteindelijk blijkt dat bij de werkgever geen passende arbeid voorhanden is voor deze werknemer.

 

Artikel 13. (Leef)vervoersvoorzieningen

     De inhoud van dit artikel lag eerder besloten in artikel 22 van de Wet Rea.
     Op grond van dit artikel kan het UWV vervoersvoorzieningen verlenen aan uitkeringsgerechtigden die arbeid als zelfstandige willen gaan verrichten. Gelet op de in het eerste lid genoemde artikelen is het nodig dit expliciet in een algemene maatregel van bestuur te bepalen.
     Omdat de artikelen 5, 6 en 8 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de verlening van vervoersvoorzieningen aan genoemde personen, zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing verklaard.
     Indien de persoon die recht heeft op een vervoersvoorziening op grond van dit artikel, daadwerkelijk arbeid als zelfstandige gaat verrichten en hij daardoor zijn recht op een uitkering verliest, heeft hij op grond van de artikelen 52d van de ZW, 34, tweede lid, van de Wet WIA, 65e van de WAO, 59b van de Wajong of 67c van de WAZ niet langer recht op die voorziening. Om een al te abrupte inname te voorkomen en die persoon in de gelegenheid te stellen zelf andere maatregelen te treffen, is aan het UWV in het vierde lid de bevoegdheid verleend om die voorziening nog gedurende zes maanden te blijven verlenen.

 

Artikel 14. Intermediaire voorzieningen bij inschakeling in zelfstandigenarbeid

     Op grond van het eerste lid van dit artikel kan het UWV voorzieningen verlenen aan uitkeringsgerechtigden met een auditieve, visuele of motorische handicap die arbeid als zelfstandige willen gaan verrichten. Gelet op de in artikel 14 genoemde artikelen is het nodig dit expliciet in een algemene maatregel van bestuur te bepalen. Op grond van het tweede lid vindt de verlening van een voorziening plaats door vergoeding van de kosten voor de bemiddeling van en het gebruik van een intermediaire activiteit. Het derde lid is gelijkluidend aan artikel 13, vierde lid, zij het dat de termijn van verlenging hier twee maanden bedraagt. Voor een toelichting wordt naar dat artikellid verwezen.

 

Artikel 15. Starterskrediet

     De inhoud van dit artikel was eerder geregeld in het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten.
     Met een starterskrediet kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte voorzien in de behoefte aan bedrijfskapitaal voor het starten van een eigen bedrijf als banken daartoe niet bereid zijn. Banken zijn hiertoe niet altijd bereid, omdat om bedrijfseconomische redenen de verstrekking van kleine kredieten commercieel gezien niet interessant is. Daarnaast kunnen banken terughoudend zijn bij de verstrekking van kredieten aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten omdat wordt getwijfeld aan de aflossingscapaciteit van deze cliënten.
     De hoogte van het krediet is gekoppeld aan het in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 te verstrekken krediet. Dit krediet wordt jaarlijks verhoogd aan de hand van het prijsindexcijfer over de maand oktober van het voorafgaande jaar. Voor het jaar 2005 is dit vastgesteld op €|30 668,-.
     Het UWV stelt regels op over de wijze waarop het UWV de aanvraag om een krediet beoordeelt en over de verstrekking van het krediet. In deze nadere regels stelt het UWV eisen op waaraan de cliënt moet voldoen. Een vereiste is dat de cliënt een bedrijfsplan opstelt. In dit bedrijfsplan toont de cliënt aan dat hij voldoende inkomsten genereert zodat de aan hem verstrekte lening binnen een door het UWV bepaalde termijn kan worden terugbetaald.
     In het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten werden gedetailleerde regels gesteld aan dit bedrijfsplan. Met het oog op deregulering en vereenvoudiging is ervan afgezien gedetailleerde regels op te nemen.

 

Artikel 16. Loonperiode bij loonsuppletie

     Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 18 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     In de artikelen 65c, tweede lid, van de WAO, 67a, tweede lid, van de WAZ en 59f, tweede lid, van de Wajong wordt bepaald dat de loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de eerste toekenning. Perioden waarin wegens ziekte niet wordt gewerkt, tellen mee als perioden waarover loon wordt ontvangen, hetzij omdat in verband met de loondoorbetalingsverplichting daadwerkelijk loon wordt ontvangen, hetzij - zoals in artikel 16 is bepaald - omdat een uitkering op grond van de ZW wordt ontvangen.
     Als de arbeid in dienstbetrekking wordt onderbroken en geen loon of ziekengeld wordt ontvangen, dan eindigt de suppletie. Na hervatting van de arbeid herleeft ook de suppletie.

 

Artikelen 16 en 17. Hoogte van de loon- en inkomenssuppletie

     De artikelen 16 en 17 komen inhoudelijk overeen met respectievelijk de artikelen 18 en 17 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     De hoogte van de inkomens- en loonsuppletie wordt uitgedrukt in een percentage van het verschil tussen de hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering die verkregen zou worden indien het feitelijk verdiende loon of inkomen als basis wordt genomen voor het vaststellen van de verdiencapaciteit en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een suppletie kan worden verkregen indien betrokkene per uur bezien minder verdient dan het uurloon waarop de verdiencapaciteit is gebaseerd.
     De loon- en inkomenssuppletie zijn gemaximeerd op 20% van verdiencapaciteit.
     Voorts is op grond van het derde lid van de artikelen 16 en 17 de suppletie gemaximeerd, zodanig dat deze tezamen met de in deze leden genoemde inkomsten nooit meer bedraagt dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Indien betrokkene voor een minder aantal uren werkt dan waartoe hij nog in staat wordt geacht, dient voorkomen te worden dat de suppletie als compensatie gaat werken voor het feit dat de inkomsten louter als gevolg van het minder werken lager zijn dan de theoretisch vastgestelde resterende verdiencapaciteit. Immers voor de uren waarin de betrokkene nog wel kan werken, doch dat feitelijk niet doet, is sprake van werkloosheid. In het tweede lid van de onderhavige artikelen is dan ook geregeld dat in deze situatie de suppletie evenredig wordt verminderd. Opgemerkt zij dat indien in het kader van de schatting vastgesteld is dat betrokkene minder uren kan werken dan voordat hij arbeidsongeschikt werd, hij in aanmerking komt voor een volledige suppletie.

 

Artikel 18. Persoonlijke ondersteuning

     Dit artikel is gebaseerd op artikel 11 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     Uit artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA vloeit voort onder welke voorwaarden de persoonlijke ondersteuning als voorziening kan worden toegekend. Deze voorwaarden zijn in artikel 18 niet nogmaals opgenomen.
     Uit het eerste lid van artikel 18 blijkt dat een persoon als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA in aanmerking kan worden gebracht voor het gebruik van persoonlijke ondersteuning of voor een in plaats daarvan toe te kennen kostenvergoeding. Deze keuzemogelijkheid is opgenomen om het UWV de mogelijkheid te geven de toekenning van deze voorziening zo goed mogelijk te regelen. In sommige situaties kan het zowel voor de verstrekker, de gebruiker als de leverancier van de diensten gunstiger zijn dat aan de gebruiker uitsluitend de diensten worden geleverd en de financiering rechtstreeks wordt afgewikkeld tussen het UWV en de leverancier van de dienst.
     In het tweede lid van dit artikel is in algemene zin geregeld onder welke voorwaarden een voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend. Bij de persoonlijke ondersteuning is met name het begeleidende aspect van belang. De persoon die de betrokkene ondersteunt, is méér dan uitsluitend iemand die belemmeringen op de werkplek wegneemt. Hij heeft vooral ook een coachende, c.q. sturende functie. De persoonlijke ondersteuning die op grond van dit artikel kan worden toegekend, zal in het algemeen worden gegeven ten behoeve van mensen met een verstandelijke of psychische beperking. In alle gevallen moet het echter wel gaan om persoonlijke ondersteuning die voldoet aan de criteria zoals deze zijn neergelegd in het tweede lid van dit artikel. Dat zal dan gaan om bijzondere situaties, met een specifieke indicatie die wordt gesteld door het UWV.
     In het tweede lid, onderdeel c, is bepaald dat er uitsluitend een vergoeding voor persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend indien deze wordt gegeven door een persoon die verbonden is aan een door het UWV erkende rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als in dit artikel bedoeld. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het UWV met betrekking tot genoemde erkenning beleidsregels kan stellen.
     In het derde lid is bepaald dat de persoonlijke ondersteuning in het eerste, tweede, derde en de daaropvolgende jaren niet uit meer uren begeleiding kan bestaan dan het aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5% en 6% van het aantal te werken uren per kalenderjaar. De voorziening persoonlijke ondersteuning kan zowel tijdelijk als blijvend worden toegekend.
     Ten slotte is in het vierde lid een hardheidsclausule opgenomen die aan het UWV de bevoegdheid geeft om in bijzondere situaties van de in het derde lid genoemde maxima af te wijken. Hierbij wordt gedacht aan de situatie waarin een persoon, gezien de aard van zijn beperkingen, een zodanig intensieve begeleiding nodig heeft dat toekenning van de voorziening op grond van de standaardnormen onvoldoende is.

 

Artikel 19. Onderwijsvoorzieningen

     Het derde lid van dit artikel komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 9 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
     In het eerste lid wordt bepaald welke voorzieningen op grond van artikel 2.17 IWIA kunnen worden verleend. Hiertoe is weliswaar aansluiting gezocht bij de voorzieningen, bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA, maar het betreft hier niet dezelfde doelgroep als in artikel 35. Men behoort tot de doelgroep van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld in artikel 19, als men:
a. jonger is dan 17 jaar;
b. studerende is als bedoeld in artikel 5 van de Wajong;
c. jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende als bedoeld in artikel 5 van de Wajong.
     Het gaat hier dus om jonge schoolgaande kinderen en is, zoals ook de toelichting op artikel 2.17 IWIA aangeeft, een voortzetting van de artikelen 11 en 22 van de Wet Rea.
     Omdat de artikelen 5, 6 en 8 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de verlening van vervoersvoorzieningen aan genoemde personen, zijn deze artikelen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaard.
     In het derde lid is de inhoud van het vervallen artikel 9 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea overgenomen. Geen voorzieningen worden verleend waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van een ander ministerie. Ook indien die voorziening niet toereikend wordt gevonden door de betrokkene of niet de volledige kosten dekt, wordt geen aanvulling daarop verleend op grond van dit besluit. Het bepaalde in artikel 19, derde lid, geldt overigens in aanvulling op de in artikel 2 opgenomen algemene regels, die op grond van dat artikel eveneens van toepassing zijn op de verlening van onderwijsvoorzieningen. Met het niet laten terugkeren van artikel 9 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, maar het opnemen van de inhoud van die bepaling in dit besluit, is geen inhoudelijke beleidswijziging beoogd.

 

Artikel 20. Verlenging termijn no-riskpolis bij verhoogd gezondheidsrisico

     Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 8, eerste lid, van het Arbeidsgehandicaptebesluit zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van artikel 2.10 van de IWIA, waardoor de Wet Rea (en daarmee het Arbeidsgehandicaptebesluit) werd ingetrokken. De in dit artikel opgenomen mogelijkheid om bij een verhoogd gezondheidsrisico de termijn waarin de no-riskpolis kan gelden te verlengen, geldt zowel met betrekking tot de no-riskpolis bij een nieuwe dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29b, eerste lid van de ZW als bij voortzetting van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29b, vierde lid, van de ZW. Dit geldt ook met betrekking tot een werknemer als bedoeld in artikel 90 van de ZW.

 

Artikel 21. Overgangsbepaling vervoermiddelen Wvg

     In dit artikel is de inhoud van het vervallen artikel 19 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea overgenomen. Het heeft betrekking op in bruikleen gegeven leefvervoersvoorzieningen die in het kader van het overgangsrecht van de Wvg nog door het UWV worden voortgezet. Bij de totstandkoming van de Wvg is door de toenmalige staatssecretaris aan het parlement toegezegd dat bij beëindiging van de verlening van een bruikleenauto de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld de auto over te nemen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 815, nr. 6, blz. 22). Overigens heeft dit artikel, behalve op de auto, ook betrekking op andere vervoermiddelen. Zie voor een nadere toelichting de toelichting op artikel 8.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus