Nederlandse vertaling:

 

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake sociale zekerheid

 

     Het Koninkrijk der Nederlanden

     en

     de Republiek Slovenië,

     - geleid door de wens de betrekkingen tussen beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen,

     - rekening houdend met het feit dat de huidige betrekkingen tussen beide landen worden geregeld in een briefwisseling van 18 maart 1992 en 21 april 1992;

     zijn overeengekomen een Verdrag te sluiten met de volgende bepalingen:

 

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

    • a. „grondgebied”:

      met betrekking tot Slovenië: het grondgebied van de Republiek Slovenië;

      met betrekking tot Nederland: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa;

    • b. „onderdaan”: wat Slovenië betreft, een persoon met de nationaliteit van de Republiek Slovenië en wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit;

    • c. „werknemer”: een persoon die in dienstbetrekking staat tot een werkgever alsmede iedere persoon die krachtens de toegepaste wetgeving wordt aangemerkt als werknemer;

    • d. „wetgeving”: de wetten, voorschriften en regelingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid;

    • e. „bevoegde autoriteit”, met betrekking tot Slovenië: de minister van Arbeid, Gezin en Sociale Zaken en, voor zover het uitkeringen en verstrekkingen krachtens de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid;

      met betrekking tot Nederland: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover het verstrekkingen krachtens de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

    • f. „verzekeringsorgaan”: het lichaam dat of de autoriteit die is belast met de uitvoering van de in artikel 2 genoemde wetgeving of een gedeelte daarvan;

    • g. „bevoegd orgaan”: het krachtens de toepasselijke wetgeving bevoegde orgaan;

    • h. „bevoegde staat”: de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;

    • i. „verzekeringstijdvak”: een tijdvak van betaling van premie of bijdrage, een tijdvak van arbeid, een tijdvak van wonen of enig ander tijdvak dat als verzekeringstijdvak wordt omschreven, erkend of aangemerkt krachtens de wetgeving die op die persoon van toepassing is gedurende bedoeld tijdvak;

    • j. „pensioen of uitkering”: een pensioen of uitkering krachtens de toepasselijke wetgeving met inbegrip van alle samenstellende delen daarvan ten laste van de openbare middelen alsmede alle verhogingen en aanvullende uitkeringen;

    • k. „gezinslid”: een persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan die persoon woont; indien deze wetgeving echter alleen betrekking heeft op personen die bij de belanghebbende wonen als gezinsleden, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien die personen hoofdzakelijk worden onderhouden door de belanghebbende;

    • l. „orgaan van de woonplaats”: het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende woont, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

    • m. „orgaan van de tijdelijke verblijfplaats”: het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende tijdelijk verblijft, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan.

  • 2 Andere termen en uitdrukkingen die in dit Verdrag worden gebruikt hebben de betekenis die daaraan onderscheidenlijk in de wetgeving die wordt toegepast, wordt toegekend.

Artikel 2. Aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is

  • 1 Dit Verdrag is van toepassing

    • A. Met betrekking tot Slovenië, op de wetgeving inzake:

      • a. de verplichte pensioen- en invaliditeitsverzekering;

      • b. de verplichte gezondheidsverzekering (uitkeringen en verstrekkingen);

      • c. de werkloosheidsverzekering;

      • d. de kinderbijslagen;

      • e. de moederschapsverzekering (uitkeringen).

    • B. Met betrekking tot Nederland, op de wetgeving inzake:

      • a. de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap), met inbegrip van de regeling inzake de aansprakelijkheid van een werkgever;

      • b. de invaliditeitsverzekering;

      • c. de ouderdomsverzekering;

      • d. de nabestaandenverzekering;

      • e. de werkloosheidsverzekering;

      • f. de kinderbijslagen.

  • 2 Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde en het vierde lid van dit artikel is dit Verdrag ook van toepassing op alle wetgeving waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgeving wordt gecodificeerd, gewijzigd of aangevuld.

  • 3 Dit Verdrag is van toepassing op alle wetgeving van een Verdragsluitende Partij waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgeving wordt uitgebreid tot nieuwe groepen personen, indien deze Verdragsluitende Partij niet binnen zes maanden na de officiële bekendmaking van zodanige wetgeving de andere Verdragsluitende Partij te kennen heeft gegeven dat het Verdrag niet op deze wetgeving van toepassing is.

  • 4 Dit Verdrag is niet van toepassing op wetgeving waarbij een nieuwe tak van sociale zekerheid wordt ingevoerd, tenzij de Verdragsluitende Partijen daartoe een overeenkomst sluiten.

  • 5 Dit Verdrag is niet van toepassing op regelingen inzake sociale bijstand noch op bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijk gestelden.

Artikel 3. Kring van belanghebbenden

Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, is het van toepassing op:

  • a. personen op wie de wetgeving van een of beide Verdragsluitende Partijen van toepassing is of is geweest;

  • b. personen die rechten ontlenen aan een onder onderdeel a van dit artikel genoemde persoon.

Artikel 4. Gelijkheid van behandeling

Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, hebben de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij, wanneer zij verblijven of wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, dezelfde verplichtingen en rechten als de onderdanen van die Verdragsluitende Partij wat betreft de toepassing van de wetgeving van die Verdragsluitende Partij.

Artikel 5. Betaling van uitkeringen in het buitenland

  • 1 Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, kunnen pensioenen en andere uitkeringen wegens ouderdom, invaliditeit en overlijden, verkregen krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende verblijft of woont op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 2 Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, worden uitkeringen krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij aan de in artikel 3 genoemde personen die verblijven of wonen buiten het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen, betaalbaar gesteld onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate als aan onderdanen van die Verdragsluitende Partij die buiten genoemde grondgebieden verblijven of wonen.

Artikel 6. Non-cumulatie van uitkeringen

Bepalingen in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij inzake vermindering, schorsing of intrekking van uitkeringen uit een tak van sociale zekerheid daar waar samenloop bestaat met uitkeringen uit een andere tak of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn ook van toepassing op de rechthebbende ten aanzien van uitkeringen verkregen krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of ten aanzien van inkomsten verworven of werkzaamheden verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

DEEL II. VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING

Artikel 7. Algemene regel

  • 1 Personen op wie de bepalingen van dit deel van het Verdrag van toepassing zijn, zijn onderworpen aan de wetgeving van slechts één Verdragsluitende Partij. Die wetgeving wordt vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 13.

  • 2 Een persoon die in overeenstemming met de bepalingen van dit deel is onderworpen aan de wetgeving van één Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als wonend op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij.

Artikel 8. Werknemers en zelfstandigen

  • 1 Een persoon die als werknemer werkt op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij is onderworpen aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij, zelfs indien hij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont of indien de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 2 Een persoon die als werknemer werkt op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen is onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont. Indien hij niet op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen woont, is hij onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de werkgever zijn voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening heeft.

  • 3 Ambulant personeel in dienst van een onderneming die tegen betaling of vergoeding of voor eigen rekening internationaal vervoer van personen of goederen verricht per spoor, over de weg of door de lucht is onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming haar hoofdzetel heeft, zelfs indien de betrokken werknemer op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont. Indien een persoon echter in dienst is van een filiaal of een vaste vertegenwoordiging van genoemde onderneming op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij of indien die persoon werkt en woont op het grondgebied van deze Partij, is de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij van toepassing.

  • 4 De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn evenzo van toepassing op zelfstandigen.

Artikel 9. Gedetacheerde werknemers

Artikel 8, eerste lid, is van toepassing met inachtneming van de volgende uitzonderingen en omstandigheden:

Indien een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij werkzaam is, door zijn werkgever waaraan hij normaal verbonden is gedetacheerd wordt op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij om aldaar voor die werkgever bepaalde werkzaamheden te verrichten, terwijl de betaalde dienstbetrekking met deze werkgever wordt gehandhaafd, blijft hij voor de duur van de werkzaamheden onderworpen aan de wetgeving van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij alsof hij nog op het grondgebied van deze Verdragsluitende Partij werkzaam was, mits de desbetreffende werkzaamheden niet meer belopen dan een periode van twee jaar en de verklaring inzake detachering uiterlijk binnen de eerste drie maanden van deze periode is ingediend.

Achtereenvolgende detacheringen van dezelfde werknemer door dezelfde werkgever gelden als één detachering, tenzij zij door perioden van ten minste twaalf maanden onderbroken zijn.

Artikel 10. Gedetacheerde ambtenaren

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing, doch zonder enige termijn, op gedetacheerde ambtenaren.

Artikel 11. Bemanningsleden aan boord van schepen

Een persoon die als werknemer werkt aan boord van een schip en die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, is onderworpen aan de wetgeving van Slovenië, indien het schip vaart onder Sloveense vlag, en aan de wetgeving van Nederland, indien de werkgever zijn zetel of domicilie in Nederland heeft.

Artikel 12. Personeel van diplomatieke en consulaire zendingen

  • 1 Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die door de Regering van die Verdragsluitende Partij worden uitgezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij als lid van een diplomatieke zending of consulaire post zijn onderworpen aan de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

  • 2 Personen die in dienst zijn bij een diplomatieke zending of consulaire post van een van de Verdragsluitende Partijen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij zijn onderworpen aan de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij.

  • 3 Indien de diplomatieke zending of consulaire post van een van de Verdragsluitende Partijen personen in dienst heeft die overeenkomstig het tweede lid van dit artikel onderworpen zijn aan de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, neemt de zending of post de verplichtingen die de wetgeving van de Verdragsluitende Partij aan werkgevers oplegt in acht.

  • 4 Het in het tweede en derde lid van dit artikel bepaalde is evenzo van toepassing op personen in persoonlijke dienst van de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen. In dat geval neemt de natuurlijke persoon die andere personen in dienst heeft de verplichtingen in acht die de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waar de dienstbetrekking wordt uitgeoefend aan werkgevers oplegt.

  • 5 Het in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op honoraire leden van een consulaire post of op personen in persoonlijke dienst van dergelijke personen.

Artikel 13. Uitzonderingen op de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 12

De bevoegde autoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen of de door deze autoriteiten aangewezen lichamen kunnen uitzonderingen op de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 12 overeenkomen in het belang van werknemers en daarbij een verplichte verzekering krachtens de desbetreffende wetgeving invoeren.

DEEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES

HOOFDSTUK 1. ZIEKTE EN MOEDERSCHAP

Artikel 14. Aanspraak op prestaties bij ziekte en moederschap

  • 1 Indien een persoon verzekeringstijdvakken heeft vervuld krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen worden deze tijdvakken bij elkaar opgeteld voor het verkrijgen, behouden of herstellen van de aanspraak op een prestatie, voor zover zij niet samenvallen.

  • 2 Indien de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij toelating tot de verplichte verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van verzekeringstijdvakken, worden daartoe, met het oog op het bij elkaar optellen van tijdvakken, dergelijke tijdvakken die krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, voor zover nodig in aanmerking genomen als waren zij vervuld krachtens de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

Artikel 15. Woonplaats op het grondgebied van de andere dan de bevoegde staat

  • 1 Personen die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat wonen en aan de in de wetgeving van laatstgenoemde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoen, ontvangen, wanneer van toepassing met inachtneming van artikel 14, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij wonen:

    • a. verstrekkingen die ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend overeenkomstig de bepalingen van de door laatstgenoemd orgaan toegepaste wetgeving, alsof deze personen bij dit orgaan waren aangesloten;

    • b. uitkeringen die door het bevoegde orgaan worden betaald overeenkomstig de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof deze personen op het grondgebied van de bevoegde staat woonden.

  • 2 Het in het voorgaande lid bepaalde is, wat het recht op verstrekkingen betreft, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat wonen, voor zover zij krachtens de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan zij wonen, geen aanspraak hebben op dergelijke verstrekkingen vanwege betaalde werkzaamheden of omdat zij een sociale- zekerheidsuitkering ontvangen van de Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.

Artikel 16. Overbrenging van de woonplaats zonder aanspraak op prestaties krachtens de wetgeving van de nieuwe woonstaat

Indien een persoon die verzekerd is krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Partij, maar niet voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak op prestaties krachtens de wetgeving van laatstgenoemde Partij, en indien die persoon krachtens de wetgeving van eerstgenoemde Partij nog steeds aanspraak zou hebben op die prestaties indien hij op het grondgebied van die Partij woonde, zal hij dit recht toch behouden.

In dat geval is artikel 18, eerste, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17. Tijdelijk verblijf in of overbrenging van de woonplaats naar de bevoegde staat

Personen of hun gezinsleden als bedoeld in artikel 15 die verblijven op of hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de bevoegde staat hebben recht op prestaties op het grondgebied van de bevoegde staat, overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving van die staat, zelfs indien zij vóór hun tijdelijk verblijf, respectievelijk de overbrenging van hun woonplaats reeds prestaties hebben genoten voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap; indien de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving voorziet in een maximumperiode voor het verlenen van prestaties, wordt het tijdvak in aanmerking genomen onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging van de woonplaats waarin die prestaties zijn verleend.

Artikel 18. Verblijf buiten het grondgebied van de bevoegde staat – terugkeer naar of overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij tijdens ziekte of moederschap – verlening van belangrijke prestaties

  • 1 Een persoon die voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak op prestaties krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen heeft aanspraak op die prestaties gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wanneer zijn toestand onmiddellijke medische verzorging noodzakelijk maakt.

  • 2 een persoon die aanspraak heeft op prestaties ten laste van een orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen en die woont op het grondgebied van die Partij, behoudt die aanspraak wanneer hij zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

    Voor de overbrenging dient de belanghebbende echter de toestemming van het bevoegde orgaan te verkrijgen. Die toestemming mag alleen worden geweigerd indien is vastgesteld dat verplaatsing van de belanghebbende zijn gezondheidstoestand of het ondergaan van medische behandeling zou schaden.

  • 3 Wanneer een persoon aanspraak heeft op verstrekkingen overeenkomstig het in de voorgaande leden bepaalde, worden deze verstrekkingen verleend ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan in de tijdelijke verblijfplaats of de woonplaats overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast, alsof de belanghebbende daarbij was aangesloten. Het tijdvak gedurende welke dergelijke prestaties worden verleend is echter die welke is vastgelegd krachtens de wetgeving van de bevoegde staat.

  • 4 In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen is de levering van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang of andere belangrijke verstrekkingen, behalve in zeer urgente gevallen, onderworpen aan de voorwaarde dat het bevoegde orgaan toestemming verleent.

  • 5 In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden uitkeringen door het bevoegde orgaan verstrekt overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving die dit orgaan toepast.

  • 6 Het in dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de belanghebbende.

  • 7 Het in het eerste en zesde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op personen die naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat gaan om een medische behandeling te ondergaan.

Artikel 19. Verstrekkingen voor gepensioneerden en hun gezinsleden

  • 1 Wanneer een persoon die pensioenen ontvangt krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen aanspraak heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, worden aan hem en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en ten laste van dit orgaan verstrekkingen verleend, alsof hij uitsluitend krachtens de wetgeving van laatstbedoelde Partij gepensioneerde was.

  • 2 Wanneer een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij woont op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en hij geen aanspraak heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij, verleent het orgaan van zijn woonplaats overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving en ten laste van het bevoegde orgaan, deze persoon en zijn gezinsleden verstrekkingen waarop deze persoon aanspraak heeft krachtens de wetgeving van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij of waarop hij aanspraak zou hebben indien hij op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij zou wonen.

  • 3 Wanneer de gezinsleden van een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij of pensioenen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan de gepensioneerde, ontvangen zij verstrekkingen alsof de gepensioneerde op hetzelfde grondgebied als zij woonde, voor zover hij krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij aanspraak op verstrekkingen heeft.

    Deze verstrekkingen worden ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden verleend, overeenkomstig de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof zij krachtens deze wetgeving recht op die verstrekkingen hadden.

  • 4 Indien de in het vorige lid bedoelde gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de gepensioneerde woont, hebben zij aanspraak op verstrekkingen in overeenstemming met de wetgeving van deze Partij, zelfs indien zij vóór de overbrenging van hun woonplaats reeds uitkeringen of verstrekkingen hebben ontvangen voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap.

  • 5 Een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij en aanspraak heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij, heeft, evenals zijn gezinsleden, aanspraak op die verstrekkingen gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat die verstrekkingen onmiddellijk worden verleend.

  • 6 In het in het vorige lid bedoelde geval worden de verstrekkingen verleend ten laste van het orgaan van de woonplaats van de gepensioneerde of de gezinsleden, door het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats, overeenkomstig de wetgeving daarvan, alsof de belanghebbende krachtens deze wetgeving recht op die verstrekkingen had.

    Het tijdvak gedurende welk verstrekkingen worden verleend is echter dat welk is vastgelegd krachtens de wetgeving van de woonstaat. Het in artikel 18, vierde lid, bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

  • 7 Wanneer de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat premies of bijdragen moeten worden afgetrokken van het te betalen pensioen in verband met de aanspraak op verstrekkingen, is het orgaan van de Verdragsluitende Partij dat het pensioen betaalt, bevoegd deze bedragen in te houden, indien krachtens dit artikel de kosten van verstrekkingen worden gedragen door een orgaan van die Verdragsluitende Partij.

  • 8 Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op gezinsleden die aanspraak hebben op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen vanwege betaalde werkzaamheden of omdat zij een socialezekerheidsuitkering ontvangen van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.

  • 9 Het in het vijfde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op personen die naar het grondgebied gaan van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen voor het ondergaan van een medische behandeling.

Artikel 20. Berekening van de Sloveense moederschapsuitkering

Indien overeenkomstig de Sloveense wetgeving het bedrag van een moederschapsuitkering wordt berekend op de grondslag van het laatst genoten salaris van de verzekerde persoon, dient het Sloveense bevoegde orgaan uitsluitend het salaris in aanmerking te nemen dat door de verzekerde persoon is ontvangen gedurende zijn laatste dienstbetrekking in Slovenië, waarbij het gemiddelde in Slovenië ontvangen salaris van de verzekerde persoon wordt aangehouden als het gemiddelde salaris van het gehele voorgeschreven tijdvak.

Artikel 21. Vergoedingen tussen organen onderling

  • 1 De verstrekkingen die overeenkomstig dit hoofdstuk zijn verleend, worden door de bevoegde organen of, indien van toepassing, door de organen van de woonplaats vergoed aan de organen die deze verstrekkingen hebben verleend.

  • 2 De vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in het Administratief Akkoord als bedoeld in artikel 36, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.

HOOFDSTUK II. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN INZAKE ARBEIDSONGESCHIKTHEID, OUDERDOM EN OVERLIJDEN

Artikel 22

Wanneer, krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij niet aan de voorwaarden voor verkrijgen, behouden of herstellen van het recht op een prestatie wordt voldaan uitsluitend op basis van verzekeringstijdvakken die krachtens deze wetgeving zijn vervuld, houdt het bevoegde orgaan voor het voldoen aan deze voorwaarden ook rekening met verzekeringstijdvakken die zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, tenzij de tijdvakken elkaar overlappen.

Artikel 23

Geen recht op een pensioen overeenkomstig de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bestaat indien het krachtens deze wetgeving vervulde verzekeringstijdvak korter is dan 12 maanden. Dit is niet van toepassing indien het recht op pensioen alleen bestaat op basis van dit verzekeringstijdvak.

UITVOERING VAN DE SLOVEENSE WETGEVING

Artikel 24

  • 1 Indien aan de voorwaarden voor toekenning van het recht op een prestatie krachtens de Sloveense wetgeving wordt voldaan ook zonder bijtelling van in beide Verdragsluitende Staten vervulde verzekeringstijdvakken, verleent het bevoegde orgaan in Slovenië de prestatie uitsluitend op basis van krachtens de Sloveense wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.

  • 2 Ingeval een persoon slechts voldoet aan de voor de toekenning van prestaties vereiste voorwaarden indien artikel 22 in aanmerking wordt genomen, berekent het bevoegde orgaan eerst de theoretische som van de prestatie waarop een persoon aanspraak zou hebben alsof het gehele krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen in aanmerking genomen verzekeringstijdvak was vervuld krachtens de voor hem relevante wetgeving. Indien de som van de prestatie niet afhankelijk is van het verzekeringstijdvak, wordt deze beschouwd als de theoretische som.

  • 3 Op basis van de som uit het voorgaande lid berekent het bevoegde orgaan het werkelijke bedrag van een prestatie die het verplicht is uit te betalen met betrekking tot de duur van het krachtens de voor dit orgaan relevante wetgeving in aanmerking te nemen verzekeringstijdvak en het gehele verzekeringstijdvak dat in aanmerking dient te worden genomen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen.

Artikel 25

  • 1 Ter uitvoering van artikel 24, tweede lid, wordt voor het vaststellen van de pensioengrondslag overeenkomstig de Sloveense wetgeving uitsluitend de Sloveense pensioengrondslag in aanmerking genomen.

  • 2 Indien bij het uitvoeren van artikel 24, derde lid, het gehele verzekeringstijdvak dat in aanmerking wordt genomen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen, het maximaal mogelijke verzekeringstijdvak overschrijdt dat overeenkomstig de Sloveense wetgeving is vastgesteld voor het bepalen van de prestaties, wordt het naar evenredigheid uit te betalen pensioen berekend als een verhouding tussen het verzekeringstijdvak krachtens de Sloveense wetgeving en het bovengenoemde maximaal mogelijke aantal verzekeringsmaanden.

UITVOERING VAN DE NEDERLANDSE WETGEVING

Artikel 26

Wanneer een persoon, op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan, onderworpen was aan de Sloveense wetgeving inzake pensioenen en aanspraak had op een Sloveense invaliditeitsuitkering, en hij voordien verzekeringstijdvakken had vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering, heeft hij aanspraak op een uitkering krachtens laatstgenoemde wetgeving, berekend volgens de regels van artikel 27.

Artikel 27

  • 1 Het bedrag van de in artikel 26 bedoelde uitkering wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de door de belanghebbende na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken tot het tijdvak gelegen tussen de datum waarop hij de leeftijd van 15 jaar bereikte en de datum waarop zijn arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan.

  • 2 Indien de belanghebbende, op het tijdstip dat de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan, werknemer was of met een werknemer was gelijkgesteld, wordt de verschuldigde uitkering vastgesteld overeenkomstig de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 18 februari 1966. Indien dit niet het geval is, wordt de verschuldigde uitkering vastgesteld overeenkomstig de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) van 24 april 1997.

  • 3 Als verzekeringstijdvakken, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving worden aangemerkt:

    • a. verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 18 februari 1966;

    • b. verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW);

    • c. verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ);

    • d. tijdvakken van arbeid en daarmee gelijkgestelde tijdvakken die vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld.

  • 4 In het geval bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid van dit artikel wordt, wanneer een verzekeringstijdvak vervuld krachtens de WAO samenvalt met een verzekeringstijdvak vervuld krachtens de AAW, alleen rekening gehouden met het krachtens de WAO vervulde tijdvak.

  • 5 In het geval bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid van dit artikel wordt, wanneer een verzekeringstijdvak vervuld krachtens de AAW samenvalt met een verzekeringstijdvak vervuld krachtens de WAO, alleen rekening gehouden met het krachtens de AAW vervulde tijdvak.

Artikel 28. Bepalingen inzake het Nederlandse ouderdomspensioen

  • 1 In geval van ouderdom stelt het Nederlandse verzekeringsorgaan het pensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse wetgeving inzake ouderdomsverzekering vervulde verzekeringstijdvakken.

  • 2 De in artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bedoelde korting wordt niet toegepast op kalenderjaren of delen daarvan vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke een gehuwde vrouw of een weduwe tussen haar vijftiende en vijfenzestigste levensjaar, en wonend in Slovenië, niet verzekerd was krachtens bovengenoemde wet voor zover de kalenderjaren of delen daarvan samenvallen met door haar echtgenoot gedurende hun huwelijk krachtens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.

    In afwijking van artikel 7 van de AOW wordt een dergelijke vrouw beschouwd als rechthebbende op een pensioen.

  • 3 De in artikel 13, tweede lid, van de AOW bedoelde korting wordt niet toegepast op kalenderjaren of delen daarvan vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke de gehuwde vrouw van de gepensioneerde in Slovenië woonde tussen haar vijftiende en vijfenzestigste levensjaar, en niet verzekerd was krachtens bovengenoemde wetgeving voor zover de kalenderjaren of delen daarvan samenvallen met door haar echtgenoot gedurende hun huwelijk krachtens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.

  • 4 De bepalingen bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel worden uitsluitend toegepast indien de belanghebbende gedurende zes jaar op het grondgebied van Slovenië of Nederland heeft gewoond na het bereiken van de leeftijd van 59 jaar en voor de duur dat die persoon op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen woont.

  • 5 In afwijking van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW), en artikel 63, eerste lid, van de Algemene Nabestaandenwet (ANW), is de echtgenoot/echtgenote van een werknemer die valt onder de verplichte verzekeringsregeling en woont in Slovenië gerechtigd krachtens die wetgeving een vrijwillige verzekering af te sluiten, maar slechts voor de tijdvakken na de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke de werknemer verplicht verzekerd is of was krachtens bovengenoemde wetgeving. Dit recht vervalt op de datum van beëindiging van de verplichte verzekering van de werknemer.

    Bovengenoemd recht vervalt echter niet wanneer de verplichte verzekering van de werknemer wordt beëindigd als gevolg van zijn overlijden en wanneer zijn weduwe uitsluitend een pensioen krachtens de Nederlandse Algemene Nabestaandenwet (ANW) ontvangt.

    Het recht inzake vrijwillige verzekering vervalt in elk geval op de datum waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.

    De premie die dient te worden betaald voor bovengenoemde vrijwillige verzekering wordt voor de echtgenoot/echtgenote van een werknemer die verplicht verzekerd is krachtens de AOW en de ANW vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de vaststelling van de premie voor de verplichte verzekering, mits zijn of haar inkomsten geacht worden in Nederland te zijn genoten.

    Voor de echtgenoot/echtgenote van een werknemer die verplicht verzekerd was op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de premie vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de vaststelling van de premie voor vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW.

  • 6 Het in het vijfde lid van dit artikel bedoelde recht wordt alleen toegekend indien de echtgenoot/echtgenote van een werknemer de Sociale Verzekeringsbank uiterlijk een jaar na aanvang van het tijdvak van de verplichte verzekering in kennis heeft gesteld van het voornemen een vrijwillige verzekering af te sluiten.

    Voor de echtgenoot/echtgenote van een werknemer die verplicht verzekerd was onmiddellijk voorafgaand aan of op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, vangt de periode van een jaar aan op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

  • 7 De in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing op tijdvakken die samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van pensioenrechten krachtens de wetgeving die van toepassing is op ouderdomspensioenen in een andere staat dan Nederland, of voor tijdvakken gedurende welke de belanghebbende een ouderdomspensioen ontving krachtens die wetgeving.

  • 8 Het in het tweede en het derde lid van dit artikel bepaalde wordt alleen toegepast op de echtgenoot/echtgenote die een vrijwillige verzekering heeft afgesloten krachtens de Nederlandse wetgeving overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel.

Artikel 29

Wanneer een persoon op het tijdstip van zijn overlijden onderworpen was aan de Sloveense wetgeving inzake pensioenen en hij voordien verzekeringstijdvakken had vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving inzake algemene nabestaandenverzekering (ANW), hebben zijn nabestaanden aanspraak op een uitkering krachtens deze wetgeving, berekend in overeenstemming met de regels van artikel 30.

Artikel 30

Het bedrag van de in artikel 29 bedoelde uitkering wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de door de overledene voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken tot het tijdvak gelegen tussen de datum waarop hij de leeftijd van 15 jaar bereikte en de datum van zijn overlijden, maar uiterlijk de datum waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikte.

HOOFSTUK III. WERKLOOSHEID

Artikel 31

Indien de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen op een persoon van toepassing is geweest, worden de tijdvakken van verzekering of arbeid die overeenkomstig de wetgeving van beide Partijen in aanmerking moeten worden genomen bij elkaar opgeteld voor het verkrijgen, behouden of herstellen van het recht op werkloosheidsuitkeringen, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.

Artikel 32

Een werknemer wonende op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en laatstelijk was onderworpen aan de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij heeft recht op een werkloosheidsuitkering krachtens de wetgeving van laatsgenoemde Verdragsluitende Partij gedurende zijn verblijf op het grondgebied daarvan, indien:

  • a. hij voldoet aan de voorwaarden van de wetgeving van die Partij, rekening houdend met de optelling van de in artikel 31 bedoelde verzekeringstijdvakken; en

  • b. hij gedurende de laatste twaalf maanden voor indiening van de aanvraag in totaal ten minste vier weken op het grondgebied van die Partij als werknemer heeft gewerkt; en

  • c. hij overeenkomstig de wetgeving inzake plaatsing van buitenlandse werknemers van die Partij een vergunning had om op het grondgebied van die Partij te werken.

Artikel 33

Bij berekening van de uitkering in gevallen waarin dit hoofdstuk van toepassing is wordt alleen rekening gehouden met inkomsten die zijn genoten op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die de uitkering betaalt.

HOOFDSTUK VI. KINDERBIJSLAGEN

Artikel 34

  • 1 Een persoon die als werknemer werkt op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij heeft recht op kinderbijslagen krachtens haar wetgeving zelfs indien het kind op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont.

  • 2 Het eerste lid van dit artikel wordt toegepast zolang de Nederlandse wetgeving betaling van kinderbijslagen ten behoeve van kinderen wonende buiten het grondgebied van Nederland toestaat.

Artikel 35

Indien aan de voorwaarden voor de aanspraak op kinderbijslagen is voldaan krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen wordt de aanspraak op kinderbijslagen alleen toegekend krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind woont.

DEEL IV. DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 36. Administratief akkoord

De bevoegde autoriteiten komen bepalingen voor de uitvoering van dit Verdrag overeen door middel van een administratief akkoord. Voorts wijzen zij verbindingsorganen op hun onderscheiden grondgebieden aan om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 37. Identificatie

Om aanspraak te hebben of te behouden op een uitkering overeenkomstig de Nederlandse wetgeving zijn een werknemer, een daarmee gelijkgesteld persoon en zijn nabestaanden, wonende in Slovenië, verplicht zich bij het bevoegde Sloveense orgaan te identificeren door middel van een officieel identiteitsbewijs. Het bevoegde Sloveense orgaan identificeert de persoon naar behoren op vertoon van zijn identiteitsbewijs. Een identiteitsbewijs is een paspoort of ander geldig identiteitsdocument dat is afgegeven door het bevoegde orgaan van de woonplaats. Het bevoegde Sloveense orgaan stelt het bevoegde Nederlandse orgaan door toezending van een kopie van het identiteitsbewijs ervan in kennis dat de identiteit naar behoren gecontroleerd is.

Artikel 38. Wederzijdse bijstand

  • 1 De bevoegde autoriteiten doen elkaar mededeling van alle wijzigingen in hun wetgeving die van wezenlijk belang zijn voor de toepassing van dit Verdrag.

  • 2 Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. Deze wederzijdse administratieve bijstand wordt kosteloos verleend.

  • 3 Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen zich rechtstreeks met elkaar en met de belanghebbenden of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen.

  • 4 De autoriteiten, verzekeringsorganen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen aanvragen of andere documenten die bij hun worden ingediend niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een vreemde taal zijn gesteld, mits deze de officiële taal van de andere Verdragsluitende Partij of de Engelse taal is.

Artikel 39. Verificatie van aanvragen en betalingen

  • 1 Het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij waarbij een aanvraag om prestaties is ingediend, controleert de juistheid van de gegevens betreffende de aanvrager en zijn gezinsleden en verschaft het bewijsmateriaal en de andere documentatie die nodig kunnen zijn voor het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij voor verdere behandeling van de aanvraag.

  • 2 Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien het bevoegde orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen een verzoek indient om verificatie van de gegevens bij het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij met het oog op het vaststellen van de rechtmatigheid van betalingen aan de gepensioneerden die op het grondgebied van de onderscheiden Verdragsluitende Partijen wonen.

  • 3 De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gegevens omvatten tevens gegevens over inkomen, gezinssituatie en gezondheidstoestand.

  • 4 De bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen zich rechtstreeks met elkaar en met hun onderscheiden gepensioneerden of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen.

  • 5 De diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers en de organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen gegevens rechtstreeks van de organen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij opvragen met het oog op het vaststellen van de aanspraak op een prestatie en de rechtmatigheid van betalingen met betrekking tot de onderscheiden gepensioneerden van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 40. Taal

De bevoegde autoriteiten, verbindingsorganen en verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen corresponderen met elkaar in de Engelse of de Franse taal.

Artikel 41. Vrijstelling van kosten

Iedere vrijstelling van zegelrecht, notariële kosten of registratiekosten die op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen is verleend met betrekking tot verklaringen en documenten die bij autoriteiten en verzekeringsorganen op dat grondgebied dienen te worden ingediend, geldt ook voor verklaringen en documenten die voor de toepassing van dit Verdrag dienen te worden ingediend bij autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Documenten en verklaringen die voor de uitvoering van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisering door diplomatieke of consulaire autoriteiten.

Artikel 42. Indiening van aanvragen, beroepschriften en andere documenten

  • 1 Aanvragen, beroepschriften en andere documenten die overeenkomstig de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn dienen te worden ingediend bij een autoriteit of verzekeringsorgaan zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn worden ingediend bij een overeenkomstige autoriteit of overeenkomstig verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij. De autoriteit of het verzekeringsorgaan van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij doet deze onverwijld toekomen aan de autoriteit of het verzekeringsorgaan van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij. De datum waarop deze documenten zijn ingediend bij de autoriteit of het verzekeringsorgaan van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als datum van indiening bij de autoriteit of het verzekeringsorgaan van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

  • 2 Een aanvraag om een prestatie die is ingediend in overeenstemming met de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als een aanvraag om de overeenkomstige prestatie krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij. Ten aanzien van ouderdomspensioenen geldt dit evenwel niet indien de aanvrager stelt of indien volkomen duidelijk is dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een pensioen krachtens de wetgeving van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

Artikel 43. Munteenheid

  • 1 Wanneer een verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag uitkeringen verschuldigd is aan een rechthebbende die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevindt, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij. Dat orgaan kan het verschuldigde geldig voldoen in de munteenheid van de tweede Verdragsluitende Partij.

  • 2 Wanneer een verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag betalingen verschuldigd is aan een verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij. Eerstgenoemd verzekeringsorgaan kan het verschuldigde geldig voldoen in die munteenheid.

  • 3 De uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaking van gelden geschiedt in overeenstemming met de overeenkomsten die op de datum van overmaking ter zake tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.

  • 4 Ingeval door een van de Verdragsluitende Partijen valutabeperkingen worden toegepast, komen beide Verdragsluitende Partijen onmiddellijk de nodige maatregelen overeen om de overmaking tussen de grondgebieden van beide Verdragsluitende Partijen van bedragen die ingevolge dit Verdrag betaalbaar zijn, te verzekeren.

  • 5 Ingeval de Nederlandse en de Sloveense munteenheid onderling niet convertibel zijn, worden de betalingen tussen organen voor de toepassing van artikelen 21 van dit Verdrag en artikel 30 van het Administratief Akkoord berekend op basis van de indicatieve wisselkoers die op de datum waarop de betaling kan worden verricht geldt, als geadviseerd door De Nederlandsche Bank.

  • 6 Ingeval de Nederlandse en de Sloveense munteenheid onderling niet convertibel zijn, worden de onverschuldigde betalingen of de premies of bijdragen voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 berekend op basis van de indicatieve wisselkoers als geadviseerd door De Nederlandsche Bank op de datum vermeld voor de uitvoering van het besluit ten aanzien van het verhaal van onverschuldigde betalingen en ten aanzien van de inning van premies of bijdragen.

Artikel 44. Verhaal van onverschuldigde betalingen

  • 1 De Verdragsluitende Partijen erkennen elkaars bestuurlijke of gerechtelijke beslissingen inzake het verhaal van onverschuldigde betalingen die zijn genomen krachtens hun wetgeving, mits tegen die beslissingen geen beroep meer openstaat bij een nationale rechter.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar behulpzaam zijn bij de uitvoering van beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3 Op verzoek van een bevoegd orgaan zal het andere orgaan bestuurlijke of gerechtelijke procedures entameren om de beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel uit te voeren. De kosten van deze procedures worden vergoed door het verzoekende orgaan.

  • 4 Indien, bij het toekennen of herzien van uitkeringen wegens invaliditeit, ouderdom of overlijden ingevolge het Verdrag, het bevoegde orgaan van de ene Verdragsluitende Partij een uitkeringsgerechtigde een bedrag heeft betaald dat hoger is dan het bedrag waarop hij recht heeft, kan dat orgaan het bevoegde orgaan van de andere Partij dat verantwoordelijk is voor de betaling van overeenkomstige uitkeringen aan die gerechtigde verzoeken het te veel betaalde bedrag in mindering te brengen op de nog verschuldigde bedragen die het aan genoemde gerechtigde betaalt. Het laatstgenoemde bevoegde orgaan draagt het in mindering gebrachte bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Wanneer het te veel betaalde bedrag niet in mindering kan worden gebracht op de nog verschuldigde bedragen is het in het vijfde lid van dit artikel bepaalde van toepassing.

  • 5 Wanneer een bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij een uitkeringsgerechtigde een bedrag heeft betaald dat hoger is dan het bedrag waarop hij recht heeft, kan dat orgaan, onder de voorwaarden en binnen de grenzen neergelegd in de wetgeving die het uitvoert, het bevoegde orgaan van de andere Partij dat verantwoordelijk is voor de betaling van uitkeringen aan die gerechtigde verzoeken het te veel betaalde bedrag in mindering te brengen op de bedragen die het aan genoemde gerechtigde betaalt. Het laatstgenoemde orgaan past de mindering toe onder de voorwaarden en binnen de grenzen die voor een dergelijke compensatie in de wetgeving die het uitvoert zijn voorzien, alsof de te hoge bedragen door dit orgaan zelf waren betaald, en draagt het in mindering gebrachte bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.

Artikel 45. Inning van premies of bijdragen

  • 1 De Verdragsluitende Partijen erkennen elkaars beslissingen inzake inning van premies of bijdragen die zijn genomen krachtens hun wetgeving, mits tegen die beslissingen geen beroep meer openstaat bij een nationale rechter.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar behulpzaam zijn bij de uitvoering van de beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3 Op verzoek van een bevoegd orgaan zal het andere orgaan juridische procedures entameren om de beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel uit te voeren. De kosten van deze procedures worden vergoed door het verzoekende orgaan.

Artikel 46. Geschillen

  • 1 Geschillen die met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag ontstaan, dienen te worden opgelost door middel van onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten.

  • 2 Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden volgend op het eerste verzoek de in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, wordt het voorgelegd aan een scheidsgerecht waarvan samenstelling en procedure worden overeengekomen door de Verdragsluitende Partijen. Het scheidsgerecht beslecht het geschil overeenkomstig de grondslagen en in de geest van het onderhavige Verdrag. De beslissing van het scheidsgerecht is onherroepelijk en bindend voor de Verdragsluitende Partijen.

DEEL V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 47. Overgangsbepalingen met betrekking tot prestaties

  • 1 Met inachtneming van het derde lid van dit artikel geldt dit Verdrag eveneens ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór zijn inwerkingtreding. Krachtens dit Verdrag worden echter geen prestaties verleend over enig tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, hoewel tijdvakken van verzekering of van wonen die vóór bedoelde inwerkingtreding zijn vervuld voor de vaststelling van de prestaties in aanmerking worden genomen.

  • 2 Bepalingen in de wetten van de Verdragsluitende Partijen betreffende de verjaring en de beëindiging van het recht op uitkering gelden niet ten aanzien van aan het eerste lid van dit artikel te ontlenen rechten, mits de rechthebbende zijn aanvraag om een uitkering binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indient.

  • 3 Prestaties die zijn toegekend voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië van 11 mei 1977, worden gehandhaafd op basis van laatstgenoemd Verdrag. Indien de methode voor het vaststellen van prestaties of de regels voor de berekening van prestaties echter dienen te worden gewijzigd, bijvoorbeeld vanwege een stijging in de kosten van levensonderhoud of veranderingen in de hoogte van lonen of salarissen of andere redenen voor aanpassing of nieuwe feiten of omstandigheden die de prestaties beïnvloeden in overweging dienen te worden genomen, wordt een herberekening uitgevoerd in overeenstemming met dit Verdrag.

Artikel 48. Vervallenverklaring van eerder Verdrag

Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag houdt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, ondertekend te Belgrado op 11 mei 1977, op van kracht te zijn tussen de Republiek Slovenië en het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 49. Opzegging

  • 1 Dit Verdrag kan worden opgezegd door elk van beide Verdragsluitende Partijen. Van de opzegging wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van het lopende kalenderjaar schriftelijk en langs diplomatieke weg kennis gegeven, waarna het Verdrag ophoudt van kracht te zijn bij het verstrijken van het kalenderjaar waarin het is opgezegd.

  • 2 Indien het Verdrag wordt opgezegd, blijven zijn bepalingen van toepassing ten aanzien van reeds verkregen rechten op prestaties ongeacht enige bepaling welke in de wetgeving van de beide Verdragsluitende Partijen mocht zijn opgenomen aangaande beperkingen van het recht op prestaties in verband met het wonen in of het onderdaan zijn van een ander land. Aanspraken op toekomstige prestaties die op grond van het Verdrag kunnen zijn verkregen, worden geregeld bij bijzondere overeenkomst.

Artikel 50. Slotprotocol

Het aan dit Verdrag gehechte Slotprotocol vormt een integrerend onderdeel van dit Verdrag.

Artikel 51. Inwerkingtreding

Beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar schriftelijk ervan in kennis dat aan hun onderscheiden grondwettelijke vereisten voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is voldaan. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na de datum van de laatste kennisgeving, met dien verstande dat artikel 3 en artikel 5 in werking treden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000.

 

 

     TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

     GEDAAN te Ljubljana, op 22 maart 2000, in twee oorspronkelijke exemplaren, in de Engelse taal.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. RAMAKER

Voor de Republiek Slovenië,

(w.g.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ

 

 

Slotprotocol

 

     Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake sociale zekerheid zijn de ondergetekende gevolmachtigden het volgende overeengekomen:

 

Toepassing van de Nederlandse wetgeving inzake ziektekostenverzekeringen

1

Met betrekking tot het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving is hoofdstuk 1 van deel III van dit Verdrag alleen van toepassing op personen die zijn verzekerd krachtens de bepalingen van de Ziekenfondswet.

2

Voor de toepassing van artikel 19 van dit Verdrag worden de volgende pensioenen beschouwd als krachtens de Nederlandse wetgeving verschuldigde pensioenen:

  • pensioenen uit hoofde van de Algemene burgerlijke pensioenwet van 6 januari 1966;

  • pensioenen uit hoofde van de Algemene militaire pensioenwet van 6 oktober 1966;

  • pensioenen uit hoofde van de Spoorwegpensioenwet van 15 februari 1967;

  • pensioenen uit hoofde van het Reglement Dienstvoorwaarden van de Nederlandse Spoorwegen (R.D.V., 1964 N.S);

  • een uitkering wegens uittreding voor personen jonger dan 65 jaar die wordt verstrekt krachtens een pensioenregeling bedoeld om een ouderdomspensioen te verlenen aan werknemers en voormalige werknemers en

  • een uitkering wegens vervroegde uittreding uit beroepsactiviteiten krachtens een door de overheid vastgestelde regeling of krachtens een overeenkomstig een collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde regeling inzake vervroegde uittreding of krachtens een dergelijke door de Ziekenfondsraad aangewezen regeling.

3

De gezinsleden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, of de persoon of gezinsleden als bedoeld in artikel 16, of de gepensioneerde en zijn gezinsleden als bedoeld in artikel 19, tweede en derde lid, van het Verdrag, die in Nederland wonen maar recht hebben op verstrekkingen ten laste van de Republiek Slovenië, zijn niet verzekerd krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

 

 

     TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Slotprotocol hebben ondertekend.

     GEDAAN te Ljubljana, op 22 maart 2000, in tweevoud in de Engelse taal.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. RAMAKER

Voor de Republiek Slovenië,

(w.g.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ

 

 

Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië

 

     Krachtens artikel 36 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake sociale zekerheid, ondertekend te Ljubljana op 22 maart 2000, zijn de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen, namelijk:

     - voor Nederland, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

     - voor Slovenië, de minister van Arbeid, Gezin en Sociale Zaken en de minister van Volksgezondheid;

     voor de toepassing van het Verdrag de volgende bepalingen overeengekomen:

 

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Akkoord:

  • a. wordt onder „Verdrag” verstaan het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake sociale zekerheid;

  • b. hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de in dat artikel eraan toegekende betekenis.

Artikel 2. Verbindingsorganen

  • 1 De verbindingsorganen overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag zijn:

    • A. In Nederland

      • a. voor verstrekkingen bij ziekte en moederschap: de Ziekenfondsraad, Amstelveen;

      • b. voor ouderdoms- en nabestaandenpensioenen en voor kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen;

      • c. voor de administratie met betrekking tot gedetacheerde werknemers krachtens de artikelen 9 en 13 van het Verdrag: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen;

      • d. in alle overige gevallen: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland bv, Amsterdam;

    • B. In Slovenië

      • a. voor verstrekkingen en uitkeringen bij ziekte: het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana;

      • b. voor uitkeringen op het gebied van pensioen- en invaliditeitsverzekering: het Sloveense Instituut voor Pensioen- en Invaliditeitsverzekering (Zavod za pokojninsko in invalidsko zavarovanje Slovenije), Ljubljana;

      • c. voor kinderbijslagen en uitkeringen bij moederschap: het Ministerie van Arbeid, Gezin en Sociale Zaken (Ministrstvo za delo, druzino in socialne zadeve), Lujbljana;

      • d. voor werkloosheidsuitkeringen: de Sloveense werkgelegenheidsdienst (Republiski zavod za zaposlovanje), Ljubljana;

      • e. voor de administratie inzake gedetacheerde werknemers ingevolge de artikelen 9 en 13 van het Verdrag: het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana.

  • 2 De taken van de verbindingsorganen worden uiteengezet in dit Akkoord. Voor de toepassing van het Verdrag kunnen de verbindingsorganen zich zowel rechtstreeks met elkaar als met de belanghebbenden of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen. Zij zijn elkaar bij de toepassing van het Verdrag behulpzaam.

  • 3 De taken van de sociale verzekeringsorganen die ondergeschikt zijn aan de verbindingsorganen worden uiteengezet in dit Akkoord. De verbindingsorganen kunnen andere taken aan dergelijke ondergeschikte organen delegeren en stellen elkaar in voorkomende gevallen daarvan in kennis.

Artikel 3. Beroepswerkzaamheden op beide grondgebieden

Voor de toepassing van artikel 8, tweede en vierde lid, van het Verdrag stelt een persoon die normaliter zijn werkzaamheden uitvoert op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen, indien hij in Nederland woont, de in artikel 2, eerste lid, onder A, c. aangewezen instelling in kennis van deze situatie en indien hij in Slovenië woont, de in artikel 2, eerste lid, onder B, c. aangewezen instelling.

Artikel 4. Toepasselijke wetgeving

  • 1 In de gevallen bedoeld in de artikelen 9, 10 en 13 van het Verdrag, zal het in het tweede en derde lid van dit artikel genoemde orgaan van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing is, op verzoek van de werkgever of de werknemer een verklaring voor bepaalde tijd afgeven waaruit blijkt dat de werknemer onderworpen blijft aan die wet. In de verklaring worden ook de gezinsleden genoemd die de werknemer vergezellen. De verklaring wordt afgegeven in een overeengekomen vorm.

  • 2 Wanneer de wetgeving van Slovenië van toepassing is, wordt de in het eerste lid van dit artikel genoemde verklaring afgegeven door het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana en gezonden naar de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen.

  • 3 Wanneer de wetgeving van Nederland van toepassing is, wordt de in het eerste lid van dit artikel genoemde verklaring afgegeven door de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen, en gezonden naar het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana.

DEEL II. TOEPASSING VAN DE BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES

HOOFDSTUK I. ZIEKTE EN MOEDERSCHAP

Artikel 5. Organen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • de term „orgaan van de tijdelijke verblijfplaats”:

    in Nederland, ANOZ Zorgverzekeringen, Utrecht;

    in Slovenië, het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering – bijkantoor

  • de term „orgaan van de woonplaats”:

    in Nederland, een door de belanghebbende gekozen ziekenfonds in zijn woonplaats;

    in Slovenië, het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering – bijkantoor.

  • de term „bevoegd orgaan”:

    in Nederland:

    • a. voor verstrekkingen: het ziekenfonds waarbij de belanghebbende aangesloten is ten tijde van de aanvraag om een verstrekking;

    • b. voor uitkeringen: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a de uitvoeringsinstelling waarbij de werkgever van de verzekerde is aangesloten;

    in Slovenië:

    • a. voor verstrekkingen: het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering, Ljubljana;

    • b. voor uitkeringen:

      • in geval van ziekte: het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering, Ljubljana,

      • in geval van moederschap: Ministerie van Arbeid, Gezin en Sociale Zaken, Ljubljana.

Artikel 6. Verklaring inzake verzekeringstijdvakken

  • 1 Voor de toepassing van artikel 14 van het Verdrag door het bevoegde orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen legt een belanghebbende aan dit orgaan een verklaring over waarin de verzekeringstijdvakken zijn vermeld die krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld en verstrekt hij de krachtens de wetgeving van dat orgaan vereiste aanvullende informatie.

  • 2 Deze verklaring wordt op verzoek van de belanghebbende afgegeven:

    • in Nederland, door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a de uitvoeringsinstelling waarbij de laatste werkgever van de verzekerde was aangesloten. Indien de belanghebbende evenwel slechts verzekerd was voor verstrekkingen, wordt de verklaring afgegeven door het ziekenfonds waarbij hij laatstelijk was aangesloten;

    • in Slovenië, het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering – bijkantoor waarbij de belanghebbende laatstelijk was aangesloten.

  • 3 Indien de belanghebbende de gevraagde verklaring niet kan overleggen, verkrijgt het in het eerste lid van dit artikel bedoelde orgaan deze van het in het tweede lid van dit artikel bedoelde orgaan.

Artikel 7. Verstrekkingen tijdens wonen in de andere staat dan de bevoegde staat

  • 1 Om verstrekkingen te ontvangen krachtens artikel 15 van het Verdrag, dient de belanghebbende zichzelf en zijn gezinsleden te laten inschrijven bij het orgaan van zijn woonplaats, onder overlegging van een verklaring waaruit blijkt dat hij en zijn gezinsleden aanspraak hebben op genoemde verstrekkingen. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, wanneer van toepassing op basis van door de werkgever verstrekte informatie. Indien de belanghebbende of zijn gezinsleden nalaten deze verklaring over te leggen, vraagt het orgaan van de woonplaats deze zelf aan bij het bevoegde orgaan.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde verklaring blijft geldig tot de datum waarop het orgaan van de woonplaats een kennisgeving van intrekking ervan heeft ontvangen.

  • 3 Het orgaan van de woonplaats informeert het bevoegde orgaan over iedere inschrijving die het overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel heeft verricht.

  • 4 Voor iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over die doorgaans vereist zijn voor het verlenen van verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.

  • 5 De belanghebbende of zijn gezinsleden informeren het orgaan van de woonplaats over iedere verandering in hun omstandigheden die van invloed zou kunnen zijn op hun aanspraak op verstrekkingen, in het bijzonder over iedere beëindiging of iedere verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheid van de belanghebbende of iedere verandering van diens woonplaats of tijdelijke verblijfplaats, of van die van een gezinslid. Evenzo informeert het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats van de belanghebbende over de beëindiging van zijn aansluiting of van zijn aanspraak op prestaties. Het orgaan van de woonplaats kan het bevoegde orgaan te allen tijde verzoeken informatie te verstrekken met betrekking tot de aansluiting of de aanspraak van genoemde persoon op prestaties.

  • 6 Het orgaan van de woonplaats is het bevoegde orgaan behulpzaam bij het treffen van maatregelen tegen een persoon die prestaties heeft ontvangen die niet aan hem verschuldigd waren.

Artikel 8. Verstrekkingen in geval van tijdelijk verblijf in of overbrenging van de woonplaats naar de bevoegde staat

  • 1 Voor de toepassing van artikel 17 van het Verdrag in geval van een tijdelijk verblijf van het in artikel 15, tweede lid, van het Verdrag bedoelde gezinslid op het grondgebied van de bevoegde staat, zijn de artikelen 9 en 10 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt het orgaan van de woonplaats geacht het bevoegde orgaan te zijn.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 17 van het Verdrag kan het bevoegde orgaan het orgaan van de laatste woonplaats indien nodig verzoeken informatie te verschaffen met betrekking tot de verlening van prestaties die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdelijke verblijf in of de overbrenging van de woonplaats naar de bevoegde staat werden ontvangen.

Artikel 9. Verstrekkingen in geval van tijdelijk verblijf in de andere staat dan de bevoegde staat

  • 1 Om verstrekkingen te ontvangen in geval van een tijdelijk verblijf op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij niet zijnde de bevoegde staat, legt de in artikel 18, eerste lid, van het Verdrag bedoelde persoon het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats een verklaring over die is afgegeven door het bevoegde orgaan, indien mogelijk voordat hij de bevoegde staat verlaat, waaruit blijkt dat hij aanspraak heeft op die verstrekkingen. Deze verklaring vermeldt met name gedurende welk tijdvak verstrekkingen kunnen worden verleend. Indien de belanghebbende geen verklaring overlegt, vraagt het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats deze aan bij het bevoegde orgaan.

  • 2 De bepalingen van het voorgaande lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de belanghebbende.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op de in artikel 16 van het Verdrag bedoelde personen.

Artikel 10. Verlening van belangrijke verstrekkingen

  • 1 Bij opneming in een ziekenhuis in de gevallen bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18, eerste en zesde lid, van het Verdrag, geeft het orgaan van de woonplaats of van de tijdelijke verblijfplaats binnen drie dagen na de datum waarop het daarvan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan kennis van de datum van de opneming in een ziekenhuis alsmede van de vermoedelijke duur van de opneming; op de datum van ontslag uit het ziekenhuis geeft het orgaan van de woonplaats of van de tijdelijke verblijfplaats, binnen dezelfde termijn, het bevoegde orgaan kennis van de datum van ontslag.

  • 2 Ter verkrijging van de toestemming waarvan de verlening van de prestaties bedoeld in artikel 18, vierde lid, van het Verdrag afhankelijk is, verzoekt het orgaan van de woonplaats of van de tijdelijke verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom. Het laatstgenoemde orgaan heeft vijftien dagen vanaf de dag waarop een dergelijk verzoek is ontvangen, om hiertegen bezwaar maken en de gronden te vermelden waarop dit bezwaar berust. Indien na afloop van die termijn geen bezwaar is gemaakt, kent het orgaan van de woonplaats of van de tijdelijke verblijfplaats de verstrekkingen toe.

  • 3 Wanneer de in artikel 18, vierde lid, van het Verdrag bedoelde verstrekkingen in zeer urgente gevallen zonder toestemming van het bevoegde orgaan moeten worden toegekend, stelt het orgaan van de woonplaats of van de tijdelijke verblijfplaats het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte.

  • 4 De zeer urgente gevallen bedoeld in artikel 18, vierde lid, van het Verdrag zijn die gevallen waarin het verlenen van de verstrekking niet kan worden uitgesteld zonder het leven of de gezondheid van de belanghebbende ernstig in gevaar te brengen. In het geval waarin een prothese of een kunstmiddel is gebroken of beschadigd, is het om de grote urgentie vast te stellen voldoende, de noodzaak van het herstel of de vernieuwing van het desbetreffende benodigde middel aan te tonen.

  • 5 De bevoegde verbindingsorganen stellen de lijst van de verstrekkingen op waarop de bepalingen van artikel 18, vierde lid, van het Verdrag van toepassing zijn.

Artikel 11. Verstrekkingen in geval van terugkeer naar of overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij tijdens ziekte of moederschap

  • 1 Om in de staat van zijn nieuwe woonplaats voorzien te blijven van verstrekkingen, legt de in artikel 18, tweede lid, van het Verdrag bedoelde persoon aan het orgaan van zijn nieuwe woonplaats een verklaring over, waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats verstrekkingen te blijven ontvangen. Het laatstgenoemde orgaan geeft in deze verklaring, wanneer van toepassing, het maximumtijdvak aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de belanghebbende of van het orgaan van de nieuwe woonplaats de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats afgeven wanneer deze, om daarbij vermelde redenen, niet tevoren kon worden opgesteld.

  • 2 Wat betreft het verlenen van verstrekkingen door het orgaan van de nieuwe woonplaats, zijn de bepalingen van artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12. Verstrekkingen aan gepensioneerden en hun gezinsleden die niet wonen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij krachtens welker wetgeving een pensioen wordt ontvangen en die aanspraak hebben op prestaties

  • 1 Om verstrekkingen te ontvangen op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar hij woont, schrijven de in artikel 19, tweede lid, van het Verdrag bedoelde gepensioneerde en zijn gezinsleden zich in bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van de volgende documenten:

    • a. een verklaring waaruit blijkt dat hijzelf en zijn gezinsleden recht hebben op verstrekkingen. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan dat een afschrift van deze verklaring naar het verbindingsorgaan van de andere Partij zendt. Indien de gepensioneerde geen verklaring overlegt, vraagt het orgaan van de woonplaats deze aan bij het bevoegde orgaan.

      De verklaring blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats van de andere Partij geen kennisgeving heeft ontvangen dat de verklaring is ingetrokken door het orgaan dat de verklaring heeft afgegeven;

    • b. de bewijsstukken die doorgaans vereist worden voor de verlening van verstrekkingen volgens de wetgeving van de woonstaat.

  • 2 Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig het voorgaande lid heeft verricht.

  • 3 De verlening van verstrekkingen is onderworpen aan de geldigheid van de in het eerste lid, onder a., van dit artikel bedoelde verklaring.

  • 4 De gepensioneerde informeert het orgaan van zijn woonplaats over iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor zijn aanspraak op verstrekkingen zou kunnen worden gewijzigd, in het bijzonder over iedere schorsing of intrekking van het pensioen en over iedere verandering van zijn woonplaats of die van zijn gezinsleden.

  • 5 Het orgaan van de woonplaats stelt, zodra het kennis krijgt van enige wijziging die van invloed is op de omvang van de aanspraak op verstrekkingen van de gepensioneerde of zijn gezinsleden, het bevoegde orgaan op de hoogte.

  • 6 Het orgaan van de woonplaats is het bevoegde orgaan behulpzaam bij het treffen van maatregelen tegen een persoon die prestaties heeft ontvangen die niet aan hem verschuldigd waren.

Artikel 13. Verstrekkingen voor gezinsleden die wonen op het grondgebied van een andere staat dan de staat waar de gepensioneerde woont

De bepalingen van artikel 12 zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden bedoeld in artikel 19, derde lid, van het Verdrag. In dat geval wordt de verklaring waaruit blijkt dat de gezinsleden aanspraak hebben op verstrekkingen afgegeven door het bevoegde orgaan of, wanneer van toepassing, door het orgaan van de woonplaats van de gepensioneerde.

Artikel 14. Verstrekkingen voor gepensioneerden en hun gezinsleden die verblijven in een andere staat dan de staat waar zij wonen

Ten aanzien van de verlening van verstrekkingen aan gepensioneerden en hun gezinsleden gedurende een tijdelijk verblijf als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van het Verdrag, zijn de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt het orgaan van de woonplaats geacht het bevoegde orgaan te zijn.

Artikel 15. Vergoeding door het bevoegde orgaan of door het orgaan van de woonplaats van de ene Verdragsluitende Partij van uitgaven voor verstrekkingen tijdens een verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij

  • 1 Indien de formaliteiten bedoeld in artikel 9 niet konden worden afgewikkeld gedurende het tijdelijk verblijf, worden de uitgaven voor verstrekkingen, op verzoek van de belanghebbende, vergoed door het bevoegde orgaan of, wanneer van toepassing, door het orgaan van de woonplaats, in overeenstemming met de door het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats gehanteerde vergoedingstarieven.

  • 2 Het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats verschaft, op verzoek van het bevoegde orgaan of, indien van toepassing, op verzoek van het orgaan van de woonplaats, de benodigde informatie over dergelijke tarieven.

Artikel 16. Dagelijkse uitkeringen bij ziekte en moederschap

  • 1

    • a. Om uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving te ontvangen, dient een verzekerde die zich op het grondgebied van Slovenië bevindt zijn aanvraag in bij het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering, Ljubljana.

    • b. Om uitkeringen krachtens de Sloveense wetgeving te ontvangen, dient een verzekerde die zich op het grondgebied van Nederland bevindt zijn aanvraag in bij het landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland bv, Amsterdam.

  • 2 De aanvraag die is ingediend bij het in het eerste lid van dit artikel genoemde orgaan dient vergezeld te gaan van een verklaring inzake arbeidsongeschiktheid die is afgegeven door de behandelend geneesheer. Deze verklaring vermeldt de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid, de diagnose en de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.

  • 3

    • a. Het in het eerste lid van dit artikel, onder a., genoemde orgaan dat de aanvraag heeft ontvangen stelt het bevoegde orgaan of, indien dit orgaan niet bekend is, het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland bv, Amsterdam, zo spoedig mogelijk in kennis van de indiening van de aanvraag om uitkeringen, onder vermelding van de datum waarop de aanvraag is ingediend, alsmede van de naam en het adres van de eventuele werkgever en zendt de verklaring inzake arbeidsongeschiktheid die bij de aanvraag was gevoegd, naar het bevoegde orgaan of, indien dit orgaan niet bekend is, naar het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland bv, Amsterdam.

    • b. Het in het eerste lid van dit artikel, onder b, genoemde orgaan dat de aanvraag heeft ontvangen stelt het bevoegde orgaan of, indien dit orgaan niet bekend is, het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering, Ljubljana, in kennis van de indiening van de aanvraag om uitkeringen, onder vermelding van de datum waarop de aanvraag is ingediend, alsmede van de naam en het adres van de eventuele werkgever en zendt de verklaring inzake arbeidsongeschiktheid die bij de aanvraag was gevoegd, naar het Sloveense Instituut voor Ziekteverzekering, Ljubljana.

  • 4 Op verzoek van het bevoegde orgaan verricht het in het eerste lid van dit artikel genoemde orgaan de noodzakelijke administratieve controles en medische onderzoeken. Het bevoegde verzekeringsorgaan behoudt het recht de belanghebbende te laten onderzoeken door een arts in de bevoegde Staat.

  • 5 Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen rechtstreeks aan de rechthebbende, op de daartoe aangewezen wijze.

Artikel 17. Vergoeding van verstrekkingen in andere gevallen dan voorzien in de artikelen 18 en 19

  • 1 De werkelijke kosten van verstrekkingen verleend krachtens de artikelen 15, 16, 17 (in geval van tijdelijk verblijf), 18, eerste, tweede en zesde lid, en artikel 19, vijfde lid, van het Verdrag worden door de bevoegde organen, of, wanneer van toepassing, door de organen van de woonplaats vergoed aan de organen die deze verstrekkingen hebben verleend zoals blijkt uit de boekhouding van deze organen.

  • 2 Voor de vergoeding mogen geen hogere tarieven in aanmerking worden genomen dan die welke van toepassing zijn op de verstrekkingen verleend aan personen die onderworpen zijn aan de door de organen die de in het voorgaande lid bedoelde verstrekkingen hebben verleend uitgevoerde wetgeving.

Artikel 18. Vergoeding van kosten van verstrekkingen verleend aan gezinsleden die wonen in de andere staat dan de bevoegde staat of in de andere staat dan de staat waar de gepensioneerde woont

  • 1 Het bedrag van de krachtens artikel 15, tweede lid, van het Verdrag verleende verstrekkingen aan gezinsleden die niet wonen op het grondgebied van dezelfde Verdragsluitende Partij als de persoon aan wie zij hun recht ontlenen, alsmede het bedrag van de krachtens artikel 19, derde lid, van het Verdrag verleende verstrekkingen wordt voor ieder kalenderjaar berekend op basis van een vast bedrag.

  • 2 Het door de Nederlandse organen verschuldigde vaste bedrag wordt bepaald door vermenigvuldiging van de gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid in Slovenië met het in aanmerking te nemen gemiddelde van het jaarlijkse aantal gezinsleden. De gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid in Slovenië zijn gelijk aan de gemiddelde jaarlijkse uitgaven voor alle door de organen in Slovenië verleende verstrekkingen aan alle actieve verzekerden en hun gezinsleden die onderworpen zijn aan de Sloveense wetgeving.

  • 3 Het door de Sloveense organen verschuldigde vaste bedrag wordt bepaald door vermenigvuldiging van de gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid in Nederland met het in aanmerking te nemen gemiddelde jaarlijkse aantal gezinsleden. De gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid zijn gelijk aan de gemiddelde jaarlijkse uitgaven voor alle door de organen in Nederland verleende verstrekkingen aan alle verzekerden jonger dan 65 jaar die onderworpen zijn aan de Nederlandse wetgeving.

Artikel 19. Vergoeding van kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden en hun gezinsleden die niet wonen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij krachtens welker wetgeving een pensioen wordt ontvangen

  • 1 De uitgaven voor de verstrekkingen verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van het Verdrag, worden voor ieder kalenderjaar berekend op basis van een vast bedrag.

  • 2 Het vaste bedrag wordt bepaald door vermenigvuldiging van de gemiddelde jaarlijkse kosten per gepensioneerde en per gezinslid met het gemiddelde aantal gepensioneerden en de in aanmerking te nemen gezinsleden.

  • 3 De gemiddelde kosten per gepensioneerde en per gezinslid van de gepensioneerde voor Slovenië dienen gelijk te zijn aan het gemiddelde per gepensioneerde en per gezinslid van de uitgaven voor alle door de Sloveense organen verleende verstrekkingen aan alle gepensioneerden en hun gezinsleden die onderworpen zijn aan de Sloveense wetgeving.

  • 4 De gemiddelde kosten per gepensioneerde en per gezinslid zijn voor Nederland gelijk aan het gemiddelde per gepensioneerde en per gezinslid van de uitgaven voor alle door de Nederlandse organen verleende verstrekkingen aan alle gepensioneerden en hun gezinsleden die onderworpen zijn aan de Nederlandse wetgeving.

  • 5 Voor de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid van dit artikel mogen verschillende berekeningen volgens de leeftijdscategorie waartoe de gepensioneerden behoren worden toegepast.

Artikel 20. Overeenstemming over andere vergoedingsmethoden

De verbindingsorganen kunnen, met de instemming van de bevoegde autoriteiten, voor alle verstrekkingen of een deel ervan andere vergoedingsmethoden overeenkomen dan de in de artikelen 17, 18 en 19 voorziene methoden.

Artikel 21. Andere bepalingen inzake vergoedingen

  • 1 De in artikel 21 van het Verdrag bedoelde vergoedingen worden betaald via de verbindingsorganen.

  • 2 De verbindingsorganen kunnen overeenkomen de in de artikelen 18 en 19 bedoelde bedragen te verhogen met een percentage voor administratiekosten.

  • 3 Voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 18 en 19 kunnen de verbindingsorganen overeenkomen voorschotten te betalen.

HOOFDSTUK 2. INVALIDITEITSUITKERINGEN, OUDERDOMSPENSIOENEN EN UITKERINGEN BIJ OVERLIJDEN

Artikel 22. Bevoegde organen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de term „bevoegd orgaan” verstaan

in Nederland:

  • a. met betrekking tot invaliditeitsuitkeringen: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a de uitvoeringsinstelling waarbij de werkgever van de verzekerde is aangesloten;

  • b. met betrekking tot ouderdoms- en nabestaandenpensioenen: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen.

in Slovenië:

voor invaliditeitsuitkeringen, ouderdoms- en nabestaandenpensioenen: het Sloveense Instituut voor Pensioen- en Invaliditeitsverzekering (Zavod za pokojninsko in invalidsko zavarovanje Slovenije), Ljubjana.

Artikel 23. Aanvraag om uitkeringen

  • 1 De bevoegde organen stellen elkaar onmiddellijk in kennis van iedere aanvraag om pensioen waarop deel III, hoofdstuk 2, en artikel 42 van het Verdrag van toepassing zijn. Deze gegevens worden verschaft op een speciaal formulier, dat tevens alle gegevens bevat die voor de behandeling van de aanvraag door het bevoegde orgaan van de andere Verdragsluitende Partij nodig zijn. Dit formulier geldt als bewijsstuk.

  • 2 De bevoegde organen stellen elkaar voorts in kennis van omstandigheden die van belang zijn bij de vaststelling van een pensioen en van omstandigheden die van invloed zijn op het voortbestaan van het recht op pensioen of uitkering, met inbegrip van relevante medische documenten.

  • 3 De bevoegde organen besluiten over de aanvraag en stellen de aanvrager en het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij in kennis van het besluit.

Artikel 24. Verklaringen inzake verzekeringstijdvakken

Ter vaststelling van de aanspraak op of de berekening van een pensioen ingevolge deel III, hoofdstuk 2, van het Verdrag geeft het bevoegde orgaan van de ene Verdragsluitende Partij op verzoek van het bevoegde orgaan van de andere Verdragsluitende Partij een verklaring af inzake de verzekeringstijdvakken die krachtens haar wetgeving zijn voltooid en verstrekt het zonodig andere informatie.

Artikel 25. Medische onderzoeken

  • 1 Indien de rechthebbende op een invaliditeits- of nabestaandenpensioen krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen woont of tijdelijk verblijft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, kan het bevoegde verzekeringsorgaan van de Verdragsluitende Partij dat het pensioen betaalt verlangen dat de rechthebbende medische onderzoeken ondergaat ter vaststelling of controle van zijn gezondheidstoestand.

  • 2 Een verzoek om medisch onderzoek wordt ingediend bij het bevoegde verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij, dat het bevoegde verzekeringsorgaan van de eerste Verdragsluitende Partij zo spoedig mogelijk in kennis stelt van de uitslag van de onderzoeken. Het bevoegde verzekeringsorgaan behoudt echter het recht de belanghebbende te laten onderzoeken door een arts in de bevoegde staat.

Artikel 26. Betaling van uitkeringen

Behalve waar artikel 44 van het Verdrag van toepassing is, worden pensioenen direct aan de rechthebbenden uitgekeerd.

HOOFDSTUK 3. WERKLOOSHEID EN KINDERBIJSLAG

Artikel 27. Uitwisseling van inlichtingen

Wanneer een persoon ingevolge deel III, de hoofdstukken 3 en 4, van het Verdrag, een uitkering aanvraagt op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, worden inlichtingen verkregen van het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij via het verbindingsorgaan van die Verdragsluitende Partij.

DEEL III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 28. Wederzijdse bijstand

  • 1 Voor de uitvoering van dit Akkoord worden modellen van verklaringen en andere documenten opgesteld door de verbindingsorganen.

  • 2 Op voorwaarde dat zij daartoe zijn gemachtigd door de bevoegde autoriteiten, kunnen de verbindingsorganen aanvullende maatregelen van administratieve aard treffen voor de uitvoering van dit Akkoord.

  • 3 De verbindingsorganen zullen elkaar, wanneer nodig, bijstaan bij het in het Engels vertalen van aanvragen en andere documenten die zijn gesteld in hun onderscheiden officiële talen.

Artikel 29

Ten behoeve van de dienstverlening aan de cliënt mag het verbindingsorgaan van de ene Verdragsluitende Partij rechtstreeks contact opnemen met rechthebbenden die wonen op het grondgebied van de andere staat.

Artikel 30. Kosten van medische onderzoeken

De kosten voortvloeiend uit medische onderzoeken die noodzakelijk zijn voor het toekennen of herzien van prestaties worden door de organen niet vergoed, tenzij deze onderzoeken alleen worden verricht op verzoek van het bevoegde orgaan.

Artikel 31. Inwerkingtreding

Dit Akkoord treedt in werking tezamen met het Verdrag en kan worden opgezegd overeenkomstig dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op het Verdrag.

 

 

     GEDAAN te Ljubljana, op 22 maart 2000, in twee originele exemplaren, in de Engelse taal.

Voor de bevoegde Nederlandse autoriteiten,

(w.g.) J. RAMAKER

Voor de bevoegde Sloveense autoriteiten,

(w.g.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ

 

 

 

Authentieke Engelse tekst:

 

Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Slovenia on social security

 

     The Kingdom of the Netherlands

     and

     The Republic of Slovenia,

     - desiring to regulate the relations between the two States in the field of social security,

     - taking into account that the actual relations between the two countries are arranged through an exchange of letters of 18 March 1992 and 21 April 1992;

     have agreed to conclude a Convention with the following provisions:

 

PART I. GENERAL PROVISIONS

Article 1. Definitions

  • 1 For the purpose of this Convention:

    • a) “Territory” means,

      in relation to Slovenia: the territory of the Republic of Slovenia;

      in relation to the Netherlands: the territory of the Kingdom in Europe;

    • b) “National” means, as regards Slovenia, a person with the citizenship of the Republic of Slovenia and as regards the Netherlands a person of the Netherlands nationality;

    • c) “Employed person” means a person who is employed by an employer as well as any person who is deemed equivalent to an employed person by the legislation applied;

    • d) “Legislation” means laws, ordinances and regulations relating to the systems and branches of social security specified in Article 2;

    • e) “Competent authority” means, in relation to Slovenia: the Minister of Labour, Family and Social Affairs, and as far as benefits in cash and in kind of the legislation on sickness insurance are concerned, the Minister of Health;

      in relation to the Netherlands: the Minister for Social Affairs and Employment and, as far as benefits in kind of the legislation on sickness insurance are concerned, the Minister for Health, Welfare and Sport;

    • f) “Insurance institution” means the body or authority charged with the implementation of the legislation specified in Article 2, or a portion thereof;

    • g) “Competent institution” means the institution which is competent according to the applicable legislation;

    • h) “Competent state” means the Contracting Party in the territory of which the competent institution is situated;

    • i) “Insurance period” means a contribution period, a period of employment, a period of residence or any other period defined, recognized or treated as a period of insurance under the legislation applicable to the person during such a period;

    • j) “Pension or cash benefit” means a pension or a cash benefit under the applicable legislation including all the constituent parts thereof which are financed out of public funds as well as all increases and additional benefits;

    • k) “Member of the family” means a person defined or recognized as such in the legislation of the Contracting Party in whose territory such a person resides; where, however, this legislation regards only persons living with the person concerned as members of the family, this condition shall be deemed to be satisfied if such persons are mainly maintained by the person concerned;

    • l) “Institution of the place of residence” means the institution empowered, under the Contracting Party's legislation which it applies, to provide the benefits in question at the place of residence or, where no such institution exists, the institution designated by the competent authority of the Contracting Party concerned;

    • m) “Institution of the place of temporary stay” means the institution empowered, under the Contracting Party's legislation which it applies, to provide the benefits in question at the place of temporary stay or, where no such institution exists, the institution designated by the competent authority of the Contracting Party concerned.

  • 2 Other words and expressions which are used in this Convention shall have the meanings respectively assigned to them in the legislation applied.

Article 2. Matters covered

  • 1 This Convention shall apply:

    • A. In relation to Slovenia, to the legislation on:

      • a) obligatory pension- and invalidity insurance;

      • b) obligatory health insurance (cash benefits and benefits in kind);

      • c) unemployment insurance;

      • d) children's allowances;

      • e) maternity insurance (cash benefits).

    • B. In relation to the Netherlands, to the legislation on:

      • a) sickness insurance (cash benefits and benefits in kind in the case of sickness and maternity), including the scheme concerning the liability of an employer;

      • b) invalidity insurance;

      • c) old age insurance;

      • d) survivors' insurance;

      • e) unemployment insurance;

      • f) children's allowances.

  • 2 With the reservations made in paragraphs 3 and 4 of this Article, this Convention shall apply also to all legislation codifying, amending or supplementing the legislation specified in paragraph 1 of this Article.

  • 3 This Convention shall apply to any legislation of a Contracting Party extending the legislation specified in paragraph 1 of this Article to new categories of persons, if that Contracting Party had not, within six months of the official announcement of such legislation, notified the other Contracting Party to the effect that the Convention shall not apply to such legislation.

  • 4 This Convention shall not apply to legislation instituting a new branch of social security unless the Contracting Parties make an agreement to that effect.

  • 5 This Convention does not apply to social assistance schemes or to special schemes for civil servants or persons treated as such.

Article 3. Persons covered

Unless otherwise provided in this Convention it shall apply to:

  • a) Persons who are or have been subject to the legislation of one or both Contracting Parties;

  • b) Persons deriving rights from a person mentioned under paragraph a of this Article.

Article 4. Equality of treatment

Unless otherwise provided in this Convention, nationals of one Contracting Party shall, when they stay or reside in the territory of the other Contracting Party, have the same obligations and rights as nationals of that Contracting Party regarding the application of the legislation of that Contracting Party.

Article 5. Payment of benefits abroad

  • 1 Unless otherwise provided in this Convention pensions and other cash benefits in case of old-age, invalidity and death acquired under the legislation of one Contracting Party may not be reduced, modified, suspended or withdrawn in account of the recipient staying or residing in the territory of the other Contracting Party.

  • 2 Unless otherwise provided in this Convention cash benefits under the legislation of a Contracting Party shall be payable to persons designated in Article 3, who are staying or residing outside the territories of either Contracting Party, on the same conditions and to the same extent as to nationals of that Contracting Party who are staying or residing outside those territories.

Article 6. Prevention of overlapping of benefits

Provisions in the legislation of a Contracting Party for the reduction, suspension or suppression of benefits from one branch of social security where there is overlapping with benefits from another branch or with other income, or because of an occupational activity, shall apply also to the beneficiary in respect of benefits acquired under the legislation of the other Contracting Party or in respect of income obtained, or occupation exercised, in the territory of the other Contracting Party.

PART II. DETERMINATION OF THE APPLICABLE LEGISLATION

Article 7. General rule

  • 1 Persons to whom the provisions of this Part of the Convention apply shall be subject to the legislation of one Contracting Party only. That legislation shall be determined in accordance with the provisions of Articles 8 to 13.

  • 2 A person who is subject to the legislation of one Contracting Party in accordance with the provisions of this Part shall be considered as residing in the territory of that Contracting Party.

Article 8. Employed and self-employed persons

  • 1 A person employed in the territory of one Contracting Party shall be subject to the legislation of that Contracting Party even if he resides in the territory of the other Contracting Party or if the registered office or place of business of the undertaking or individual employing him is situated in the territory of the other Contracting Party.

  • 2 A person employed in the territory of both Contracting Parties shall be subject to the legislation of the Contracting Party in the territory of which he is resident. If he is not resident in the territory of either Contracting Party he shall be subject to the legislation of the Contracting Party in the territory of which the employer has his principal place of business.

  • 3 Travelling personnel employed by an undertaking which for hire or reward or on its own account operates international transport services for passengers or goods by rail, road or air shall be subject to the legislation of the Contracting Party in whose territory the undertaking has its head office even if the employee concerned resides in the territory of the other Contracting Party.

    If however a person is employed by a branch or permanent agency which the said undertaking has in the territory of the other Contracting Party or if that person is employed and resident in the territory of this Party, the legislation of this Contracting Party shall apply.

  • 4 The provisions of paragraphs 1 and 2 of this Article shall equally apply to self-employed persons.

Article 9. Posted workers

Article 8, paragraph 1, shall apply subject to the following exceptions and circumstances:

If a person employed in the territory of a Contracting Party is posted by his employer to which he is normally attached to the territory of the other Contracting Party to perform a certain work there for that employer and whilst staying in paid employment with this employer, he shall continue to be subject to the legislation of the former Contracting Party for the duration of that work as if he were still employed in the territory of this Contracting Party, provided that the relevant work will not exceed a period of two years and that the certificate of posting has been submitted no later than within the first three months of that period. Successive postings of the same employee by the same employer shall be counted as one unless they are separated by at least twelve months.

Article 10. Posted civil servants

Article 9 shall apply correspondingly, but without any time limit, to posted civil servants.

Article 11. Crew members on vessels

A person who is employed on board of a vessel and who is resident in the territory of a Contracting Party shall be subject to the legislation of Slovenia, if the vessel is flying under the flag of Slovenia, and to the legislation of the Netherlands, if the employer has his registered office or his place of business in the Netherlands.

Article 12. Personnel of diplomatic and consular missions

  • 1 Nationals of a Contracting Party who are sent by the Government of this Contracting Party to the territory of the other Contracting Party as members of a diplomatic mission or consular post, shall be subject to the legislation of the former Contracting Party.

  • 2 Persons who are employed by a diplomatic mission or consular post of one of the Contracting Parties in the territory of the other Contracting Party, shall be subject to the legislation of the latter Contracting Party.

  • 3 If the diplomatic mission or consular post of one of the Contracting Parties employs persons who according to paragraph 2 of this Article are subject to the legislation of the other Contracting Party, the mission or post shall observe the obligations which the legislation of this Contracting Party imposes on employers.

  • 4 The provisions of paragraphs 2 and 3 of this Article shall equally apply to persons employed in the private service of a person mentioned in paragraph 1 of this Article. In that case the natural person who employs other persons shall observe the obligations which the legislation of the Contracting Party where the employment is performed imposes on employers.

  • 5 The provisions of paragraphs 1 to 4 of this Article do not apply to honorary members of a consular post or to persons employed in the private service of such persons.

Article 13. Exceptions to the provisions of Article 8 to 12

The competent authorities of the two Contracting Parties or the bodies designated by these authorities may agree on exceptions from the provisions of Articles 8 to 12 in the interest of employees and hereby establish obligatory insurance under the relevant legislation.

PART III. SPECIAL PROVISIONS CONCERNING THE VARIOUS CATEGORIES OF BENEFITS

CHAPTER 1. SICKNESS AND MATERNITY

Article 14. Entitlement to sickness and maternity benefits

  • 1 If a person has completed insurance periods under the legislation of both Contracting Parties these periods shall be added together for the acquisition, retention or recovery of entitlement to a benefit, in so far as they do not coincide.

  • 2 If the legislation of one Contracting Party makes admission to compulsory insurance conditional upon the completion of insurance periods, such periods completed under the legislation of the other Contracting Party shall, to that end, for the purpose of adding periods together, be taken into account, to the extent necessary, as if they were insurance periods completed under the legislation of the first Contracting Party.

Article 15. Residence in the other State than the competent State

  • 1 Persons who reside in the territory of the Contracting Party other than the competent State and who satisfy the conditions for entitlement prescribed by the legislation of the latter State, regard being had, where appropriate, to the provisions of Article 14, shall receive in the territory of the Contracting Party in which they reside:

    • a) benefits in kind, provided at the expense of the competent institution by the institution of the place of residence in accordance with the provisions of the legislation which the latter institution applies, as if these persons were affiliated to it;

    • b) cash benefits, paid by the competent institution in accordance with the provisions of the legislation which it applies, as if these persons were resident in the territory of the competent State.

  • 2 The provisions of the preceding paragraph shall, in respect to benefits in kind, apply by analogy to members of the family who are resident in the territory of a Contracting Party other than the competent State in so far as they are not entitled to such benefits under the legislation of the State in whose territory they reside because of a gainful occupation or because of their receiving a social security benefit of the Party in whose territory they reside.

Article 16. Transfer of residence without entitlement to benefits under the legislation of the new State of residence

If a person who has been insured under the legislation of one of the Contracting Parties is transferring his residence to the territory of the other Party, but does not satisfy the conditions for entitlement to benefits under the legislation of the latter Party, and if that person would still be entitled to such benefits under the legislation of the first Party if he were residing in the territory of that Party, such entitlement will nevertheless be retained.

In that case Article 18, paragraphs 1, 3, 4, 5, 6, and 7 will be applicable by analogy.

Article 17. Temporary stay in or transfer of residence to the competent State

Persons or the members of their family referred to in Article 15, who are staying in or transferring their place of residence to the territory of the competent State shall receive benefits in the territory of the competent State, in accordance with the provisions of the legislation of that State, even if they have already received benefits for the same case of sickness or maternity before their temporary stay, respectively their transfer of residence; if the legislation applied by the competent institution provides for a maximum period for the provision of benefits, the period in which such benefits have been provided immediately before the transfer of residence will be taken into account.

Article 18. Stay outside the territory of the competent State – return to or transfer of residence to the territory of the other Contracting Party during sickness or maternity – provision of major benefits

  • 1 A person who satisfies the conditions for entitlement to benefits under the legislation of one of the Contracting Parties will be entitled to such benefits during a temporary stay in the territory of the other Contracting Party when his condition necessitates immediate provision of medical care.

  • 2 A person who is entitled to benefits at the expense of an institution of one of the Contracting Parties and who resides in the territory of that Party, retains that entitlement when he transfers his residence to the territory of the other Contracting Party.

    However, before the transfer the person concerned will have to obtain the authorization of the competent institution. Such authorization may be refused only if it is established that movement of the person concerned would be prejudicial to his state of health or the receipt of medical treatment.

  • 3 When a person is entitled to benefits in kind according to the provisions of the preceding paragraphs, these benefits shall be provided at the expense of the competent institution by the institution of the place of temporary stay or residence according to the provisions of the legislation applied by the latter institution, as if the person concerned were affiliated to it. The period during which such benefits are provided shall, however, be that laid down under the legislation of the competent State.

  • 4 In the cases referred to in paragraphs 1 and 2 of this Article, the supply of prosthesis, major appliances or other substantial benefits in kind – except in case of absolute urgency – will be subject to the condition that the competent institution will give its authorization.

  • 5 In the cases referred to in paragraphs 1 and 2 of this Article, cash benefits will be provided by the competent institution according to the provisions of the legislation which it applies.

  • 6 The provisions of this Article shall be applicable by analogy to the members of the family of the person concerned.

  • 7 The provisions of paragraphs 1 and 6 of this Article are not applicable to persons who are going to the territory of the Contracting Party other than the competent State, for the purpose of receiving medical care.

Article 19. Benefits in kind for pensioners and the members of their families

  • 1 Where a person receiving pensions under the legislation of both Contracting Parties is entitled to benefits in kind under the legislation of the Contracting Party in whose territory he is resident, such benefits shall be provided to him and the members of his family by the institution of the place of residence at its own cost, as if he were a pensioner under the legislation of the latter Party only.

  • 2 Where a person receiving a pension under the legislation of one Contracting Party resides in the territory of the other Contracting Party and he is not entitled to benefits in kind under the legislation of the latter Contracting Party, the institution of the place of his residence provides according to the legislation which it applies, and at the expense of the competent institution, this person and the members of his family with benefits in kind to which this person is entitled under the legislation of the first Contracting Party or would be entitled if he were to reside in its territory.

  • 3 Where the members of the family of a person receiving a pension under the legislation of one Contracting Party or pensions under the legislation of both Contracting Parties are resident in the territory of a Contracting Party other than that in which the pensioner himself resides, they shall receive benefits in kind as if the pensioner were resident in the same territory, provided that he is entitled to such benefits under the legislation of a Contracting Party.

    These benefits shall be provided at the expense of the competent institution by the institution of the place of residence of the members of the family according to the provisions of the legislation which it applies, as if they were entitled to such benefits under that legislation.

  • 4 If the members of the family referred to in the preceding paragraph transfer their residence to the territory of the Contracting Party in which the pensioner resides, they shall be entitled to benefits in kind in accordance with the legislation of that Party, even if they have already received such benefits for the same case of sickness and maternity before transferring their residence.

  • 5 A person receiving a pension under the legislation of one Contracting Party and who is entitled to benefits in kind under the legislation of this Contracting Party, shall as well as the members of his family, be entitled to such benefits during a temporary stay in the territory of the Contracting Party other than the one in whose territory they reside, when their condition requires the immediate provision of such benefits.

  • 6 In the case referred to in the preceding paragraph, the benefits in kind shall be provided at the expense of the institution of the place of residence of the pensioner or the members of the family, by the institution of the place of temporary stay, according to its legislation, as if the person concerned were entitled to such benefits under this legislation.

    The period during which these benefits are provided shall, however, be that laid down under the legislation of the State of residence. The provisions of Article 18, paragraph 4, are applicable by analogy.

  • 7 Where the legislation of a Contracting Party provides for the contributions to be deducted from the pension payable for the purpose of entitlement to benefits in kind, the institution of the Contracting Party which pays the pension shall be authorized to make such deductions if the cost of benefits in kind is borne by an institution of that Contracting Party by virtue of this Article.

  • 8 The provisions of this Article shall not be applicable to members of the family who are entitled to benefits in kind under the legislation of the Contracting Party in the territory of which they reside because of their gainful occupation or their receiving social security benefit of the Contracting Party in whose territory they reside.

  • 9 The provisions of paragraph 5 of this Article shall not be applicable to persons who are going to the territory of the Contracting Party other than the one in whose territory they reside, for the purpose of receiving medical treatment.

Article 20. Calculation of Slovenian maternity cash benefit

If according to Slovenian legislation the amount of maternity benefit is calculated on the basis of the previous salary of the insured person, the Slovenian competent institution must take into consideration exclusively the salary received by the insured person during his last employment in Slovenia, whereby the average salary of the insured person received in Slovenia is determined as the average salary of the entire prescribed period.

Article 21. Reimbursement between institutions

  • 1 The benefits in kind provided according to this chapter shall be refunded by the competent institutions or, where appropriate, by the institutions of the place of residence, to the institutions who have provided these benefits.

  • 2 The refunds shall be determined and made in accordance with the procedure provided for in the Administrative Arrangement referred to in Article 36, either on production of proof of actual expenditure or on the basis of lump-sum payments.

CHAPTER 2. COMMON PROVISIONS ON DISABILITY, OLD-AGE AND DEATH

Article 22

Where, under the legislation of one Contracting Party the conditions for acquisition, retention or recovery of the right to a benefit are not fulfilled solely on the basis of insurance periods completed under this legislation the competent institution shall for the fulfilment of these conditions take into account also insurance periods completed under the legislation of the other Contracting Party, unless the periods overlap.

Article 23

The right to a pension according to the legislation of one Contracting Party does not exist if the insurance period completed under this legislation amounts to less than 12 months. This shall not apply if the right to a pension exists solely on the basis of this insurance period.

IMPLEMENTATION OF THE SLOVENIAN LEGISLATION

Article 24

  • 1 If the conditions for granting the right to a benefit are fulfilled under the Slovenian legislation also without the addition of insurance periods completed in both Contracting Parties, the competent institution in Slovenia shall provide the benefit solely on the basis of insurance periods completed under the Slovenian legislation.

  • 2 In case a person only complies with the conditions required for the granting of benefits if Article 22 is taken into consideration, the competent institution first calculates the theoretic sum of the benefit to which a person would be entitled as if the entire insurance period taken into account under the legislation of both Contracting Parties was completed under the legislation relevant for him. If the benefit sum does not depend on the insurance period, it is regarded as the theoretical sum.

  • 3 On the basis of the sum from the previous paragraph, the competent institution calculates the actual amount of a benefit which he is obliged to pay out in relation to the duration of the insurance period to be taken into account under the legislation relevant for him and the entire insurance period which is to be taken into account under the legislation of both Contracting Parties.

Article 25

  • 1 For implementing Article 24, paragraph 2, to establish the pension basis according to the Slovenian legislation exclusively the Slovenian pension basis is taken into account.

  • 2 If in the implementing of Article 24, paragraph 3, the entire insurance period which is taken into account under the legislation of both Contracting Parties exceeds the maximum possible insurance period which has been established according to Slovenian legislation for the benefits assessment, the pro rata pension to be paid out is calculated as a relation between the insurance period under Slovenian legislation and the above stated maximum possible number of insurance months.

IMPLEMENTATION OF THE NETHERLANDS LEGISLATION

Article 26

Where a person at the time when incapacity for work followed by invalidity occurred, was subject to Slovenian legislation on pensions and entitled to Slovenian invalidity pension, and had previously completed insurance periods under the Netherlands legislation on invalidity insurance, he shall be entitled to a benefit under the latter legislation, calculated according to the rules of Article 27.

Article 27

  • 1 The amount of the benefit referred to in Article 26 shall be calculated in proportion to the ratio of the total length of the periods of insurance completed by the person concerned under the Netherlands legislation after the age of 15 years to the period between the date on which he reached the age of 15 and the date of his incapacity for work followed by invalidity.

  • 2 If, at the time when incapacity for work followed by invalidity occurred, the person concerned was an employed person or a person treated as such, the benefit due shall be determined according to the Disablement Benefits Act of 18 February 1966 (WAO). If not, the benefit due shall be determined according to the Self-employed Persons Disablement Benefits Act of 24 April 1997 (WAZ).

  • 3 As periods of insurance completed under the Netherlands legislation shall be considered:

    • a) periods of insurance completed under the Disablement Benefits Act of 18 February 1966 (WAO);

    • b) periods of insurance completed under General Disablement Insurance Act of 11 December 1975 (AAW);

    • c) periods of insurance completed under the Self-employed Persons Disablement Benefits Act of 24 April 1997 (WAZ);

    • d) periods of employment and periods treated as such completed in the Netherlands before 1 July 1967.

  • 4 In the case referred to in paragraph 2, first sentence of this Article, when an insurance period under the WAO coincides with an insurance period under the AAW, only the period completed under the WAO shall be taken into account.

  • 5 In the case referred to in paragraph 2, second sentence of this Article, when an insurance period under the AAW coincides with an insurance period under the WAO, only the period completed under the AAW shall be taken into account.

Article 28. Provisions relating to Netherlands' old age pension

  • 1 In case of old age the Netherlands' insurance institution determines the pension directly and exclusively on the basis of the periods of insurance completed under the Netherlands' legislation on old age insurance.

  • 2 The reduction referred to in Article 13, paragraph 1 of the Law on general old-age insurance (AOW) shall not be applied to calendar years or parts thereof before the entry into force of this Convention during which a married woman or a widow between the age of 15 years and 65 years, residing in Slovenia, was not insured under the abovementioned law in so far as the calendar years or parts thereof coincide with periods of insurance completed during their marriage by her husband under that legislation.

    By way of derogation from Article 7 of the AOW, the said woman shall be considered as being entitled to a pension.

  • 3 The reduction referred to in Article 13, paragraph 2 of the AOW shall not be applied to calendar years or parts thereof before the entry into force of this Convention during which the married woman of the pensioner resided in Slovenia between the age of 15 years and 65 years and was not insured under the abovementioned legislation in so far as the calendar years or parts thereof coincide with periods of insurance completed during their marriage by her husband under that legislation.

  • 4 The provisions referred to in paragraphs 2 and 3 of this Article shall be applied only if the person concerned has resided for six years in the territory of Slovenia or the Netherlands after the age of 59 years and for as long as that person is residing in the territory of one of the Contracting Parties.

  • 5 By way of derogation from the provisions of Article 45, paragraph 1 of the Law on general old-age insurance (AOW), and Article 63, paragraph 1 of the general insurance for survivors Act (ANW), the spouse of an employed person covered by the compulsory insurance scheme, residing in Slovenia shall be authorized to take out voluntary insurance under that legislation but only for the periods after the entry into force of this Convention during which the employed person is or was compulsorily insured under the abovementioned legislation. This authorization ceases on the date of termination of the compulsory insurance of the employed person.

    The aforementioned authorization shall not cease, however, where the compulsory insurance of the employed person is terminated as a result of his death and where his widow receives only a pension under the Netherlands legislation on general insurance for survivors Act (ANW).

    In any event, the authorization in respect of voluntary insurance ceases on the date on which the voluntarily insured person reaches the age of 65 years.

    The contribution which has to be paid for the aforementioned voluntary insurance shall be determined for the spouse of an employed person who is compulsorily insured under the AOW and the ANW in accordance with the provisions relating to the determination of the contribution of compulsory insurance, subject to the condition that his or her income shall be deemed to have been received in the Netherlands.

    For the spouse of an employed person who was compulsorily insured on or after the date of entry into force of this Convention the contribution shall be determined in accordance with the provisions relating to the determination of the contribution for voluntary insurance under the AOW and the ANW.

  • 6 The authorization referred to in paragraph 5 of this Article shall be granted only if the spouse of an employed person has informed the Sociale Verzekeringsbank (Social Insurance Bank) not later than one year after commencement of the compulsory insurance period of the employed person of the intention to take out voluntary insurance.

    For the spouse of an employed person who was compulsorily insured immediately prior to or on the date of entry into force of this Convention, the period of one year shall commence on the date of the entry into force of this Convention.

  • 7 The provisions referred to in paragraphs 2 and 3 of this Article shall not be applicable to periods coinciding with periods which may be taken into account for the calculation of pension rights under the legislation governing old-age pensions in a State other than the Netherlands, or for periods during which the person concerned received an old-age pension under such legislation.

  • 8 The provisions of paragraphs 2 and 3 of this Article shall only be applied to the spouse who has taken out voluntary insurance under Netherlands legislation according to paragraph 5 of this Article.

Article 29

When a person at the time of his death was subject to Slovenian legislation on pensions and had previously completed insurance periods under the Netherlands legislation on general insurance for survivors (ANW), his survivors shall be entitled to a benefit under this legislation, calculated in accordance with the rules of Article 30.

Article 30

The amount of the benefit referred to in Article 29 shall be calculated in proportion to the ratio of the total length of the periods of insurance completed by the deceased under the Netherlands legislation before he reached the age of 65 to the period between the date on which he reached the age of 15 years and the date of his death, but at the latest the date on which he reached the age of 65 years.

CHAPTER 3. UNEMPLOYMENT

Article 31

If the legislation of both Contracting Parties has been applicable to a person, then the periods of insurance or employment, which are to be taken into consideration according to both Parties' legislation, shall be added together for the acquisition, retention or recovery of the right to receive unemployment benefits, in so far as these periods do not coincide.

Article 32

An employed person, residing in the territory of a Contracting Party, moving to the territory of the other Contracting Party and being last subject to the legislation of the latter Contracting Party, is entitled to unemployment benefits under the legislation of the latter Contracting Party during his stay on its territory, if:

  • a) he satisfies the conditions of the legislation of that Party, taking into account the totalisation of periods of insurance of Article 31; and

  • b) he has been employed in the territory of that Party for at least four weeks in total during the last twelve months before submitting the claim; and

  • c) he has been licensed for working in the territory of that Party according to its legislation on the placement of foreign workers.

Article 33

When calculating the benefit, in cases where this Chapter applies, only income accrued in the territory of the Contracting Party which pays the benefit shall be taken into account.

CHAPTER 4. CHILDRENS ALLOWANCES

Article 34

  • 1 A person employed in the territory of one Contracting Party shall be entitled to children's allowances under its legislation even if the child resides on the territory of the other Contracting Party.

  • 2 Paragraph 1 of this Article shall be applied as long as the Netherlands' legislation allows the payment of children's allowances on behalf of children residing outside the territory of the Netherlands.

Article 35

If the conditions for the entitlement to children's allowances are satisfied under the legislation of both Contracting Parties the entitlement to children's allowances shall be awarded solely under the legislation of the Contracting Party in whose territory the child resides.

PART IV. MISCELLANEOUS PROVISIONS

Article 36. Administrative arrangement

The competent authorities shall agree on provisions for the implementation of this Convention by way of an administrative arrangement. Furthermore, they shall designate liaison bodies in their respective territories to facilitate the implementation of this Convention.

Article 37. Identification

For being entitled to or for maintaining the entitlement to a benefit in cash according to the Netherlands legislation an employed person, a person treated as such and his survivors, residing in Slovenia, are obliged for identifying themselves towards the Slovenian competent institution by way of an official identification card. The Slovenian competent institution duly identifies the person on presentation of his identification card. An identification card is a passport or other valid identification-document delivered by the competent authority of the place of residence. The Slovenian competent institution informs the Netherlands competent institution that the identity has been duly verified, by sending a copy of the identification card.

Article 38. Mutual assistance

  • 1 The competent authorities shall communicate to each other all amendments in their legislations which are of substantial significance to the application of this Convention.

  • 2 For the purpose of applying this Convention, the authorities and insurance institutions of the Contracting Parties shall lend their good offices as though applying their own legislation. Such mutual administrative assistance shall be provided free of charge.

  • 3 The authorities and insurance institutions of the Contracting Parties may for the purpose of applying this Convention, communicate directly with each other and with the persons concerned or their representatives.

  • 4 The authorities, insurance institutions and jurisdictions of a Contracting Party may not reject claims or other documents submitted to them by reason of the fact that they are written in a foreign language provided they are in the official language of the other Contracting Party or in the English language.

Article 39. Verification of claims and payments

  • 1 The competent institution of the Contracting Party with which an application for benefits has been filed shall verify the accuracy of the information pertaining to the applicant and his family member and provide such evidence and other documentation as may be necessary for the institution of the other Contracting Party to complete action on the claim.

  • 2 Paragraph 1 of this Article applies mutatis mutandis if the competent institution of one of the Contracting Parties makes a request for verification of information with the institution of the other Contracting Party for the purpose of establishing the legitimacy of payments to the pensioners residing in the territories of the respective Contracting Parties.

  • 3 The information referred to in paragraphs 1 and 2 of this Article also includes information on income, household status and medical state.

  • 4 The competent institutions of the Contracting Parties may communicate directly with each other and with their respective pensioners or their representatives.

  • 5 The diplomatic and consular representatives and the institutions of the Contracting Parties may request information directly from authorities in the territory of the other Contracting Party for the purpose of establishing entitlement to benefit and the legitimacy of payments in respect of the respective pensioners of the Contracting Parties.

Article 40. Language

The competent authorities, liaison bodies and insurance institutions of the Contracting Parties shall correspond with each other in the English or the French language.

Article 41. Exemption from fees

Any exemption granted in the territory of one of the Contracting Parties from stamp duty, notarial or registration fees in respect of certificates and documents required to be submitted to authorities and insurance institutions in the same territory, shall also apply to certificates and documents which, for the purpose of the implementation of this Convention, have to be submitted to authorities and insurance institutions in the territory of the other Contracting Party. Documents and certificates required to be produced for the purpose of the implementation of this Convention shall be exempted from authentication by diplomatic or consular authorities.

Article 42. Submitting of claims, appeals or other documents

  • 1 Applications, appeals and other documents which, in accordance with the legislation of a Contracting Party, have to be submitted to an authority or insurance institution within a specified period shall be admissible if they are submitted within the same period to a corresponding authority or insurance institution of the other Contracting Party. The authority or insurance institution of the latter Contracting Party shall without delay forward them to the authority or insurance institution of the former Contracting Party. The date on which these documents were submitted to the authority or insurance institution of the latter Contracting Party shall be considered as the date of their submission to the authority or insurance institution of the former Contracting Party.

  • 2 An application for a benefit submitted in accordance with the legislation of one Contracting Party shall be considered as an application for the corresponding benefit under the legislation of the other Contracting Party. With respect to old-age pensions, however, this shall not apply if the applicant states or if it is quite evident that the application refers solely to a pension under the legislation of the former Contracting Party.

Article 43. Currencies

  • 1 Where, under this Convention, an insurance institution of a Contracting Party is liable to pay cash benefits to a beneficiary who is in the territory of the other Contracting Party, its liability shall be expressed in the currency of the first Contracting Party. That institution may validly discharge its liability in the currency of the second Contracting Party.

  • 2 Where, under this Convention, an insurance institution of a Contracting Party is liable to make payments to an insurance institution of the other Contracting Party, its liability shall be expressed in the currency of the second Contracting Party. The first insurance institution may validly discharge its liability in that currency.

  • 3 Money transfers which result from the application of this Convention shall be effected in accordance with the relevant agreements in force between the Contracting Parties at the date of transfer.

  • 4 In the event of restrictions on currency being enforced by one of the Contracting Parties, both Contracting Parties shall immediately agree upon necessary measures to ensure the transfer between the territories of both Contracting Parties of any amount payable pursuant to this Convention.

  • 5 In the event there is no convertibility between Netherlands' and Slovenian currencies, the payments between institutions for the application of Article 21 of this Convention and Article 30 of the Administrative Arrangement will be calculated on the basis of the indicative exchange-rate applying at the date on which the payment can be made, as advised by the Netherlands Central Bank.

  • 6 In the event there is no convertibility between Netherlands' and Slovenian currencies, the undue payments or the contributions for the application of Articles 44 and 45 will be calculated on the basis of the indicative exchange-rate, as advised by the Netherlands Central Bank at the date specified for the enforcement of the decision on the recovery of undue payments and on the collection of contributions.

Article 44. Recovery of undue payments

  • 1 The Contracting Parties recognize each other's administrative or judicial decisions on the recovery of undue payments made under their legislations, provided that such decisions are no longer subject to appeal before any national court.

  • 2 The Contracting Parties will lend their good offices to the implementation of decisions as referred to in paragraph 1 of this Article.

  • 3 At the request of a competent institution the other competent institution will initiate administrative or judicial proceedings to implement decisions as referred to in paragraph 1 of this Article. The costs of these proceedings shall be reimbursed by the requesting institution.

  • 4 If, when awarding or reviewing benefits in respect of invalidity, old-age or death pursuant to the Convention, the competent institution of one of the Contracting Parties has paid to a recipient of benefits a sum in excess of that to which he is entitled, that institution may request the competent institution of the other Party responsible for the payment of corresponding benefits to that recipient to deduct the amount overpaid from the arrears which it pays to the said recipient. The latter competent institution shall transfer the amount deducted to the creditor institution. Where the amount overpaid cannot be deducted from the arrears the provisions of paragraph 5 of this Article shall apply.

  • 5 When a competent institution of a Contracting Party has paid to a recipient of benefits a sum in excess of that to which he is entitled, that institution may, within the conditions and limits laid down by the legislation which it administers, request the competent institution of the other Contracting Party responsible for the payment of benefits to that recipient, to deduct the amount overpaid from the amounts which it pays to the said recipient. The latter institution shall make the deduction under the conditions and within the limits provided for such setting-off by the legislation which it administers, as if the sums had been overpaid by itself, and shall transfer the amount deducted to the creditor institution.

Article 45. Collection of Contributions

  • 1 The Contracting Parties recognize each other's decisions on collection of contributions made under their legislations, provided that such decisions are no longer subject to appeal before any national court.

  • 2 The Contracting Parties will lend their good offices to the implementation of decisions as referred to in paragraph 1 of this Article.

  • 3 At the request of a competent institution, the other competent institution will initiate legal proceedings to implement decisions as referred to in paragraph 1 of this Article. The costs of these proceedings shall be reimbursed by the requesting institution.

Article 46. Disputes

  • 1 Disputes arising in connection with the application of this Convention are to be resolved by negotiations between the competent authorities.

  • 2 If the dispute has not been settled within six months following the first request to start the negotiations prescribed in paragraph 1 of this Article, it shall be submitted to an arbitral tribunal whose composition and procedure shall be agreed upon by the Contracting Parties. The arbitral tribunal shall settle the dispute according to the fundamental principles and in the spirit of the present Convention. The decision by the arbitral tribunal shall be final and binding upon the Contracting Parties.

PART V. TRANSITIONAL AND FINAL PROVISIONS

Article 47. Transitional provisions relating to benefits

  • 1 Subject to paragraph 3 of this Article this Convention shall also apply to contingencies arising prior to its entry into force. However, no benefits shall be provided under this Convention with respect to any period prior to its entry into force, although periods of insurance or residence completed before the said entry into force shall be taken into account in the determination of benefits.

  • 2 Provisions in the laws of the Contracting Parties concerning the prescription and the termination of the right to cash benefits shall not apply to rights arising out of the provisions of paragraph 1 of this Article, provided that the beneficiary submits his application for a benefit within two years after the date of entry into force of this Convention.

  • 3 Benefits, that have been awarded before the date of entry into force of this Convention and in accordance with the provisions of the Convention on Social insurance between the Kingdom of the Netherlands and the Socialist Federal Republic of Yugoslavia of 11 May 1977, shall be maintained on the basis of the last mentioned Convention. However, if the method of determining benefits, the rules for calculating benefits including by reason of an increase in the cost of living or changes in the level of wages or salaries or other reasons for adjustment or new facts or circumstances affecting the benefits have to be considered, a recalculation shall be carried out in accordance with this Convention.

Article 48. Annulment of former Convention

From the date of entry into force of this Convention, the Convention on Social insurance between the Kingdom of the Netherlands and the Socialist Federal Republic of Yugoslavia, signed at Belgrade on 11 May 1977, shall cease to be in force between the Republic of Slovenia and the Kingdom of the Netherlands.

Article 49. Denunciation

  • 1 This Convention may be denounced by either of the Contracting Parties. Notice of denunciation shall be given in written form through diplomatic channels not less than three months before the expiry of the current calendar year, whereupon the Convention shall cease to be in force at the expiry of the calendar year in which it is denounced.

  • 2 If the Convention is denounced, its provisions shall continue to apply to benefits which have already been acquired, notwithstanding any provision that may have been enacted in the legislation of the two Contracting Parties concerning restrictions of the right to benefits in connection with residence in, or citizenship of, other countries. Any right to future benefits which may have been acquired by virtue of the Convention shall be settled by special agreement.

Article 50. Final Protocol

The Final Protocol attached to this Convention forms an integral part of this Convention.

Article 51. Entry into force

Both Contracting Parties shall notify each other in writing of the fulfilment of their respective constitutional requirements for the entry into force of the present Convention. The Convention shall enter into force on the first day of the third month after the date of the last notification, on the understanding that Article 3 and Article 5 shall enter into force with retroactive effect to 1 January 2000.

 

 

     IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention.

     DONE in two original copies at Ljubljana, on this 22nd day of March 2000, in the English language.

For the Kingdom of the Netherlands,

(sd.) J. RAMAKER

For the Republic of Slovenia,

(sd.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ

 

 

Final Protocol

 

     At the moment of signing the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Slovenia on social security, the undersigned plenipotentiaries have agreed as follows:

 

Application of the Netherlands legislation on health insurances

1

As regards entitlement to benefits in kind under the Netherlands legislation Chapter 1 of Part III of this Convention is only applicable to persons who are insured under the provisions of the Health Insurance Act (Ziekenfondswet).

2

For the purpose of Article 19 of this Convention, the following pensions shall be treated as pensions due under the Netherlands legislation:

  • pensions pursuant to the Law of 6 January 1966 establishing a new pension scheme for civil servants and their survivors (Algemene burgerlijke pensioenwet);

  • pensions pursuant to the Law of 6 October 1966 establishing a new pension scheme for servicemen and their survivors (Algemene militaire pensioenwet);

  • pensions pursuant to the Law of 15 February 1967 establishing a new pension scheme for members of the personnel of the Netherlands Railways and their survivors (Spoorwegpensioenwet);

  • pensions pursuant to the Regulation on conditions of employment of the Netherlands Railways (R.D.V. 1964 N.S.);

  • a retirement benefit for persons aged under 65 provided under a pension scheme designated to provide an old age pension to employed persons and formerly employed persons, and

  • a benefit on account of accelerated retirement from professional activities under a scheme laid down by the government or under a regulation laid down according to a collective labour agreement concerning accelerated retirement or under such regulation indicated by the «Ziekenfondsraad».

3

The members of the family referred to in Article 15, paragraph 2, or the person or the members of the family referred to in Article 16, or the pensioner and the members of his family referred to in Article 19, paragraphs 2 and 3, of the Convention, who are residing in the Netherlands but who are entitled to benefits in kind at the expense of the Republic of Slovenia, are not insured under the Exceptional Medical Expenses Act (AWBZ).

 

 

     IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized by their respective Governments, have signed the Final Protocol.

     DONE in duplicate at Ljubljana on this 22nd day of March 2000 in the English language.

For the Kingdom of the Netherlands,

(sd.) J. RAMAKER

For the Republic of Slovenia,

(sd.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ

 

 

Administrative Arrangement for the application of the Convention on social security between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Slovenia

 

     Pursuant to Article 36 of the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Slovenia on social security, signed at Ljublejana on the 22nd day of March 2000, the competent authorities of the Contracting Parties namely:

     - for the Netherlands, the Minister for Social Affairs and Employment and the Minister for Health, Welfare and Sport;

     - for Slovenia, the Minister of Labour, Family and Social Affairs and the Minister of Health;

     have agreed on the following provisions for the application of the Convention:

 

PART I. GENERAL PROVISIONS

Article 1. Definitions

For the purpose of the present Arrangement:

  • a) the term “Convention” means the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Slovenia on social security;

  • b) the terms defined in Article 1 of the Convention have the meaning given to them in that Article.

Article 2. Liaison bodies

  • 1 The liaison bodies in accordance with Article 36 of the Convention are:

    • A. In the Netherlands

      • a) for the benefits in kind in case of sickness and maternity, the Sickness Funds Council (Ziekenfondsraad), Amstelveen;

      • b) for old-age and survivors pensions and for family allowances: the Social Insurance Bank (Sociale Verzekeringsbank), Amstelveen;

      • c) for the administration regarding posted workers under Article 9 and 13 of the Convention: the Social Insurance Bank (Sociale Verzekeringsbank), Amstelveen;

      • d) in all other cases: the National Institute for Social Insurances (het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, Lisv), c/o GAK Nederland bv, Amsterdam.

    • B. In Slovenia

      • a) for the benefits in kind and benefits in cash in case of sickness: Health Insurance Institute of Slovenia, (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana;

      • b) for the benefits in cash in the field of pension and invalidity insurance: Institute for Pension and Disability Insurance of Slovenia (Zavod za pokojninsko in invalidsko zavarovanje Slovenije), Ljubljana;

      • c) for children allowances and benefits in cash in case of maternity: the Ministry of Labour, Family and Social Affairs (Ministrstvo za delo, druzino in socialne zadeve), Ljubljana;

      • d) for unemployment benefit; Employment Service of Slovenia (Republiski zavod za zaposlovanje), Ljubljana;

      • e) for the administration regarding posted workers under Article 9 and 13 of the Convention: Health Insurance Institute of Slovenia (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana.

  • 2 The duties of the liaison bodies are stated in this Arrangement. For the application of the Convention, the liaison bodies may communicate directly with each other as well as with the persons concerned or their representatives. They shall assist each other in the application of the Convention.

  • 3 The duties of the social insurance institutions subordinate to the liaison bodies are stated in this Arrangement. The liaison bodies may delegate other tasks to such subordinate institutions and shall, in case, notify each other thereof.

Article 3. Occupational activities in both territories

For the purpose of Article 8, paragraphs 2 and 4, of the Convention a person who normally pursues his activity in the territory of both Contracting Parties shall, if he resides in the Netherlands, notify this situation to the institution designated in Article 2, paragraph 1, under A, c) and if he resides in Slovenia, to the institution designated in Article 2, paragraph 1, under B,c).

Article 4. Applicable legislation

  • 1 In cases referred to in Articles 9, 10 and 13 of the Convention, the institution of the Contracting Party whose legislation applies, mentioned in paragraphs 2 and 3 of this Article, will at the request of the employer or the employed person issue a certificate of fixed duration certifying that the employed person continues to be subject to that legislation. In the certificate are also mentioned the family members who accompany the employed person. The certificate shall be given in an agreed form.

  • 2 Where the legislation of Slovenia applies, the certificate mentioned in paragraph 1 of this Article will be issued by the Health Insurance Institute of Slovenia (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana and sent to the Social Insurance Bank, Amstelveen.

  • 3 Where the legislation of the Netherlands applies, the certificate mentioned in paragraph 1 of this Article will be issued by the Social Insurance Bank, Amstelveen and sent to the Health Insurance Institute of Slovenia (Zavod za zdravstveno zavarovanje Slovenije), Ljubljana.

PART II. APPLICATION OF THE SPECIAL PROVISIONS CONCERNING THE VARIOUS CATEGORIES OF BENEFITS

CHAPTER 1. SICKNESS AND MATERNITY

Article 5. Institutions

For the application of this chapter:

  • the term “institution of the place of temporary stay” means:

    in the Netherlands, the ANOZ Zorgverzekeringen, Utrecht;

    in Slovenia, Health Insurance Institute of Slovenia – branch office

  • the term “institution of the place of residence” means:

    in the Netherlands, a sickness fund at the place of residence, as chosen by the person concerned;

    in Slovenia by the Health Insurance Institute of Slovenia – branch office.

  • the term “competent institution” means:

    in the Netherlands:

    • a) for benefits in kind: the sickness fund (ziekenfonds) to which the person concerned is affiliated at the time of the application for benefits;

    • b) for benefits in cash: the National Institute for Social Insurances (Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen), c/o the implementation institution (uitvoeringsinstelling) to which the insured person's employer is affiliated;

    in Slovenia:

    • a) for benefits in kind: Health Insurance Institute of Slovenia, Ljubljana;

    • b) for benefits in cash:

      • in case of sickness: Health Insurance Institute of Slovenia,

        Ljubljana,

      • in case of maternity: Ministry of Labour, Family and Social Affairs, Ljubljana.

Article 6. Certification of periods of insurance

  • 1 For the application of Article 14 of the Convention by the competent institution of one of the Contracting Parties, a person shall submit to this institution a certificate showing the periods of insurance completed under the legislation of the other Contracting Party and he shall supply any additional information required under the legislation of that institution.

  • 2 At the request of the person concerned, this certificate shall be issued:

    • in the Netherlands, by the National Institute for Social Insurances (Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen), c/o the implementation institution (uitvoeringsinstelling) to which the insured person's last employer was affiliated. However, if the person concerned has only been insured for benefits in kind, the certificate shall be issued by the sickness fund to which that person has lastly been affiliated;

    • in Slovenia, Health Insurance Institute of Slovenia – branch office to which the person was last affiliated.

  • 3 If the person concerned is not able to submit the required certificate, the institution referred to in paragraph 1 of this Article shall obtain it from the insurance institution mentioned in paragraph 2 of this Article.

Article 7. Benefits in kind during residence in the other State than the competent State

  • 1 In order to receive benefits in kind under Article 15 of the Convention, the person concerned must register himself and the members of his family with the institution of his place of residence by submitting a certificate testifying that he and the members of his family are entitled to the said benefits. This certificate shall be issued by the competent institution on the basis of information supplied, where appropriate, by the employer. If the person concerned or the members of his family fail to submit such a certificate, the institution of the place of residence shall itself apply for it to the competent institution.

  • 2 The certificate referred to in the preceding paragraph shall be valid until such date as the institution of the place of residence receives notice of its cancellation.

  • 3 The institution of the place of residence shall advise the competent institution of any registration made in accordance with the provisions of paragraph 1 of this Article.

  • 4 For any claim for benefits in kind the claimant shall submit the supporting documents normally required for the provision of benefits in kind under the legislation of the Contracting Party in whose territory he resides.

  • 5 The person concerned or the members of his family shall advise the institution of the place of residence of any change in their circumstances which might affect their entitlement to benefits in kind and, in particular, of any cessation or any change of employment or occupational activity on the part of the person concerned or any change of the latter's residence or of temporary stay, or in that of a member of his family. The competent institution shall likewise inform the institution of the place of residence of the person concerned, of the termination of his affiliation or of his entitlement to benefits. The institution of the place of residence may at any time request the competent institution to supply any information relating to the said person's affiliation or entitlement to benefits.

  • 6 The institution of the place of residence shall lend its good offices to the competent institution in order to take action against a person who has received benefits which were not due to him.

Article 8. Benefits in kind in case of temporary stay in or transfer of residence to the competent State

  • 1 For the application of Article 17 of the Convention in case of temporary stay of the member of the family referred to in Article 15, paragraph 2, of the Convention in the territory of the competent State, the Articles 9 and 10 shall be applicable by analogy. In that case the institution of the place of residence shall be considered to be the competent institution.

  • 2 For the application of Article 17 of the Convention, the competent institution may request, if necessary, the institution of the place of the last residence to supply it with information relating to the provision of benefits received immediately before the temporary stay in or the transfer of residence to the competent State.

Article 9. Benefits in kind in case of temporary stay in the other State than the competent State

  • 1 In order to receive benefits in kind in case of a temporary stay in the territory of a Contracting Party other than the competent State, the person referred to in Article 18, paragraph 1, of the Convention shall submit to the institution of the place of temporary stay a certificate, issued by the competent institution, if possible, before he leaves the competent State, stating that he is entitled to such benefits. This certificate shall indicate in particular the period during which benefits in kind may be provided. If the person concerned does not submit such a certificate, the institution of the place of temporary stay shall apply for it to the competent institution.

  • 2 The provisions of the preceding paragraph shall be applicable by analogy to the members of the family of the person concerned.

  • 3 The provisions of paragraph 1 of this Article shall also be applicable to persons referred to in Article 16 of the Convention.

Article 10. Supply of substantial benefits in kind

  • 1 In the event of hospitalisation in the situations referred to in the Articles 16, 17 and 18, paragraphs 1 and 6, of the Convention, the institution of the place of residence or of temporary stay shall, within three days of becoming aware of the fact, notify the competent institution of the date of entry into hospital and the probable duration of hospitalisation; at the date of discharge from the hospital the institution of the place of residence or of temporary stay shall notify, within the same period, the competent institution of the date of discharge.

  • 2 In order to receive the authorization to which the provision of benefits referred to in Article 18, paragraph 4, of the Convention, is subject, the institution of the place of residence or of temporary stay shall request the competent institution for it. The latter institution shall have fifteen days from the day on which such a request is received to raise any objection and to state the reasons on which such objection is based. If, at the end of that period, no such objection has been raised, the institution of the place of residence or of temporary stay shall grant the benefits in kind.

  • 3 Where the benefits referred to in Article 18, paragraph 4, of the Convention, have to be granted, in a case of absolute urgency, without the authorization of the competent institution, the institution of the place of residence or of temporary stay shall immediately inform the competent institution thereof.

  • 4 The cases of absolute urgency referred to in Article 18, paragraph 4, of the Convention, are those where the provision of the benefit cannot be delayed without seriously endangering the life or health of the person concerned. In the case in which a prosthesis or an appliance is broken or damaged, it shall be sufficient in order to establish absolute urgency, to demonstrate the necessity of the reparation or the renewal of the requisite concerned.

  • 5 The competent liaison bodies shall draw up the list of benefits to which the provisions of Article 18, paragraph 4, of the Convention, will apply.

Article 11. Benefits in kind in case of return to or transfer of residence to the territory of the other Contracting Party during sickness or maternity

  • 1 In order to retain the service of benefits in kind in the State of his new residence, the person referred to in Article 18, paragraph 2, of the Convention shall submit to the institution of his new place of residence a certificate by which the competent institution authorizes him to continue receiving benefits after the transfer of his residence. The latter institution shall indicate, where appropriate, in that certificate the maximum period during which the benefits in kind may be provided according to the legislation which it applies. The competent institution can, after the transfer of residence of the person concerned and at his request or at the request of the institution of the new place of residence, deliver the certificate where, for stated reasons, it could not have been drawn up beforehand.

  • 2 With regard to the provision of benefits in kind by the institution of the new place of residence, the provisions of Article 10 are applicable by analogy.

Article 12. Benefits in kind for pensioners and members of their families who are not resident in the territory of a Contracting Party under whose legislation a pension is received and are entitled to benefits.

  • 1 In order to receive benefits in kind in the territory of the Contracting Party in which he resides, the pensioner and the members of his family referred to in Article 19, paragraph 2, of the Convention, shall register with the institution of the place of residence, submitting the following documents:

    • a) a certificate testifying that he is entitled to benefits in kind for himself and for the members of this family. That certificate is delivered by the competent institution who will send the double of the certificate to the liaison body of the other Party. If the pensioner does not submit the certificate, the institution of the place of residence shall apply for it to the competent institution.

      The certificate will be valid as long as the liaison body of the other Party has not been notified of its cancellation by the institution which has delivered the certificate;

    • b) the supporting documents normally required for the provision of benefits in kind by the legislation of the State of residence.

  • 2 The institution of the place of residence shall notify the competent institution of any registration made in accordance with the preceding paragraph.

  • 3 The provision of benefits in kind is subject to the validity of the certificate referred to in paragraph 1, a) of this Article.

  • 4 The pensioner shall inform the institution of the place of residence of any change in his circumstances which might alter his entitlement to benefits in kind, in particular any suspension or withdrawal of the pension and of any transfer of his residence or that of the members of his family.

  • 5 The institution of the place of residence shall inform, as soon as it becomes aware of it, the competent institution of any alteration susceptible to extend the right to benefits in kind of the pensioner or the members of his family.

  • 6 The institution of the place of residence shall lend its good offices to the competent institution in order to take action against a person who has received benefits which were not due to him.

Article 13. Benefits in kind for members of the family who are resident in the territory of a State other than the State in which the pensioner is resident

The provisions of Article 12 shall be applicable by analogy to the members of the family referred to in Article 19, paragraph 3, of the Convention. In that case, the certificate testifying that the members of the family are entitled to benefits shall be delivered by the competent institution, or, where appropriate, by the institution of the place of residence of the pensioner.

Article 14. Benefits in kind for pensioners and the members of their family staying in a State other than the one where they are resident

With regard to the provision of benefits in kind to pensioners and the members of their family, during a temporary stay referred to in Article 19, paragraph 5, of the Convention, the provisions of the Articles 9 and 10 shall be applicable by analogy. In that case the institution of the place of residence shall be considered to be the competent institution.

Article 15. Refund by the competent institution or by the institution of the place of residence of one Contracting Party, of expenses of benefits in kind incurred during a stay in the territory of the other Contracting Party

  • 1 If the formalities referred to in Article 9 could not have been completed during the temporary stay, the expenses of benefits in kind shall, at the request of the person concerned, be refunded by the competent institution, or where appropriate, by the institution of the place of residence, in accordance with the refund rates administered by the institution of the place of temporary stay.

  • 2 The institution of the place of temporary stay shall, at the request of the competent institution, or, where appropriate, at the request of the institution of the place of residence, supply it with the necessary information about such rates.

Article 16. Daily cash benefits in case of sickness and maternity

  • 1

    • a) In order to receive benefits under the Netherlands' legislation an insured person who is present in the territory of Slovenia shall submit his claim to the Health Insurance Institute of Slovenia, Ljubljana.

    • b) In order to receive benefits under the Slovenian legislation an insured person who is present in the territory of the Netherlands shall submit his claim to the “Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen”, c/o GAK Nederland bv, Amsterdam.

  • 2 The claim submitted to the institution mentioned in paragraph 1 of this Article must be accompanied by a certificate of incapacity for work issued by the doctor providing treatment. This certificate shall indicate the initial date of the incapacity for work, diagnosis and the probable duration of the incapacity for work.

  • 3

    • a) The institution mentioned in paragraph 1a) of this Article which has received the claim shall as soon as possible notify the competent institution or if this institution is not known, the “Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen”, c/o GAK Nederland bv, Amsterdam, of the submitting of the claim for benefits, stating the date on which the claim has been submitted as well as the name and the address of the employer, if any, and send the certificate of incapacity for work which was annexed to the claim to the competent institution or if this institution is not known, the “Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen”, c/o GAK Nederland bv, Amsterdam.

    • b) The institution mentioned in paragraph 1b) of this Article which has received the claim shall as soon as possible notify the Health Insurance Institute of Slovenia, Ljubljana, of the submitting of the claim for benefits, stating the date on which the claim has been submitted as well as the name and the address of the employer, if any, and send the certificate of incapacity for work which was annexed to the claim to the Health Insurance Institute of Slovenia, Ljubljana.

  • 4 At the request of the competent institution the institution mentioned in paragraph 1 of this Article shall carry out any necessary administrative checks or medical examinations.

    However, the competent insurance institution maintains the right to have the person concerned examined by a doctor in the competent State.

  • 5 The competent institution shall pay the benefits directly to the beneficiary by the appropriate method.

Article 17. Refund of costs of benefits in kind in other cases than provided for in the Articles 18 and 19

  • 1 The actual amount of the costs of benefits in kind provided under the Articles 15, 16, 17 (in case of temporary stay), 18, paragraphs 1, 2, and 6, and Article 19, paragraph 5, of the Convention, shall be refunded by the competent institutions, or, where appropriate, by the institutions of the place of residence, to the institutions which have provided the said benefits as shown in the accounts of these institutions.

  • 2 For the purposes of the refund, rates higher than those applicable to the benefits in kind provided to persons who are subject to the legislation administered by the institutions which provided the benefits referred to in the preceding paragraph, may not be taken into account.

Article 18. Refund of costs of benefits in kind provided to members of the family residing in the other State than the competent State or in the other State than the State where the pensioner is resident

  • 1 The amount of benefits in kind provided under Article 15, paragraph 2, of the Convention, to members of the family who are not residing in the territory of the same Contracting Party as the person from who they derive their entitlement, as well as the amount of benefits in kind provided under Article 19, paragraph 3, of the Convention shall be evaluated on the basis of a lump-sum in respect of each calendar year.

  • 2 The lump-sum payment due by the Netherlands institutions shall be determined by multiplying the average annual costs per member of the family in Slovenia by the average of the annual number of members of the family to be taken into account. The average annual costs per member of the family in Slovenia shall be equal to the average annual expenditure on all the benefits in kind provided by the institutions in Slovenia to all active insured persons and their family members subject to the Slovenian legislation.

  • 3 The lump-sum payment due by the Slovenian institutions shall be determined by multiplying the average annual costs per member of the family in the Netherlands by the average annual number of members of the family to be taken into account. The average annual costs per member of the family shall be equal to the average of the annual expenditure on all the benefits in kind provided by the institutions in the Netherlands to all insured persons younger than 65 years of age subject to the Netherlands legislation.

Article 19. Refund of costs of benefits in kind provided to pensioners and the members of their family who are not resident in the territory of a Contracting Party under whose legislation a pension is received

  • 1 The expenditure on the benefits in kind provided under Article 19, paragraph 2, of the Convention, shall be evaluated on the basis of a lump-sum in respect of each calendar year.

  • 2 The lump-sum payment shall be determined by multiplying the average annual costs per pensioner and per member of the family by the average annual number of pensioners and the members of the family to be taken into account.

  • 3 The average costs per pensioner and per member of the family of the pensioner for Slovenia shall be equal to the average per pensioner and per member of his family of the expenditure on all the benefits in kind provided by the Slovenian institutions to all pensioners and their family members subject to the Slovenian legislation.

  • 4 The average costs per pensioner and per member of the family shall be equal, for the Netherlands, to the average per pensioner and per member of the family of the expenditure on all the benefits in kind provided by the Netherlands institutions to all pensioners and their family members subject to the Netherlands legislation.

  • 5 For the application of the paragraphs 1, 2 and 4 of this Article, different calculations according to the group of age the pensioners belong to may be passed on.

Article 20. Agreement on other methods of reimbursement

The liaison bodies may agree, with the consent of the competent authorities, upon other methods of reimbursement of all the benefits in kind or part of them than the methods provided for in Articles 17, 18 and 19.

Article 21. Other provisions concerning refunds

  • 1 The refunds referred to in Article 21 of the Convention, shall be paid through the liaison bodies.

  • 2 The liaison bodies may agree on raising the amounts referred to in the Articles 18 and 19, by a percentage for administration costs.

  • 3 For the application of the provisions of Articles 18 and 19, the liaison bodies may agree upon the payment of advances.

CHAPTER 2. BENEFITS IN CASH IN THE CASE OF INVALIDITY, OLD AGE AND DEATH

Article 22. Competent Institutions

For the application of this chapter the term “competent institution” means in the Netherlands:

  • a) as regards invalidity benefits: “the ‘Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen’, c/o the implementation institution” to which the insured person's employer is affiliated;

  • b) as regards old-age and survivors' pensions: the Social Insurance Bank (Sociale Verzekeringsbank), Amstelveen.

in Slovenia:

for invalidity old-age and survivors pensions: Institute for Pension and Disability Insurance of Slovenia (Zavod za pokojninsko in invalidsko zavarovanje Slovenije), Ljubljana.

Article 23. Application for benefits

  • 1 The competent institutions shall inform each other immediately of any application for a pension to which Part III, Chapter 2, and Article 42 of the Convention are applicable. This information shall be supplied on a special form which also contains all information necessary for the investigation of the claim by the competent institution of the other Contracting Party. This form shall take the place of supporting documents.

  • 2 The competent institutions shall furthermore inform each other of circumstances which are of importance when deciding on a pension, and circumstances which are of influence to the continuation of the right to the pension or benefits, enclosing relevant medical documents.

  • 3 The competent institutions shall decide upon the application and notify the applicant and the institution of the other Contracting Party of the decision.

Article 24. Certification of periods of insurance

In order to determine the entitlement to or the calculation of a pension under Part III, chapter 2 of the Convention, the competent institution of one Contracting Party will at the request of the competent institution of the other Contracting Party certify the periods of insurance completed under its legislation and will provide such other information as may be required.

Article 25. Medical examinations

  • 1 If the beneficiary of an invalidity or survivors' pension under the legislation of one of the Contracting Parties is resident or stays temporarily in the territory of the other Contracting Party, the competent insurance institution of the Contracting Party which pays the pension may require the beneficiary to undergo medical examinations in order to determine or monitor this medical condition.

  • 2 Request for medical examination shall be presented to the competent insurance institution of the other Contracting Party which will notify the competent insurance institution of the former Contracting Party of the result of the examinations as quickly as possible. However, the competent insurance institution maintains the right to have the person concerned examined by a doctor in the competent state.

Article 26. Payment of benefits

Except where Article 44 of the Convention is applied, pensions shall be paid out directly to the beneficiaries.

CHAPTER 3. UNEMPLOYMENT AND CHILDRENS ALLOWANCES

Article 27. Exchange of information

Where a person, in the application of Part III, Chapters 3 and 4, of the Convention, applies for cash benefits in the territory of a Contracting Party, information shall be obtained from the institution of the other Contracting Party, through the liaison body of that Contracting Party.

PART III. FINAL PROVISIONS

Article 28. Mutual assistance

  • 1 Models of certificates and other documents for the application of this Arrangement shall be drawn up by the liaison bodies.

  • 2 Provided they are authorised to do so by the competent authorities, the liaison bodies may take additional measures of an administrative nature for the application of this Arrangement.

  • 3 The liaison bodies shall, where necessary, assist each other in translating applications and other documents, written in their respective official languages, into English.

Article 29

For the purpose of client service the liaison body of one Contracting Party is allowed to contact beneficiaries residing in the territory of the other State directly.

Article 30. Costs of medical examinations

The costs entailed in medical examinations necessary for the award or review of benefits shall not be refunded by the institutions, unless these examinations are carried out solely at the request of the competent institution.

Article 31. Entry into force

This Arrangement shall enter into force together with the Convention and may be denounced in accordance with the same rules as apply to the Convention.

 

 

     DONE in two original copies at Ljubljana on this 22nd day of March 2000, in the English language.

For the Netherlands' competent authorities,

(sd.) J. RAMAKER

For the Slovenian competent authorities,

(sd.) NATAŠA BELOPAVLOVIČ