Vrouwe Justitia

 

 

 

Zie ook: Voor de Wwb relevante Abw-jurisprudentie


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN AR5779 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Terechte beëindiging bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding omdat is voldaan aan de criteria van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geldt niet dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat niet aan de beide criteria voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het gaat hier immers om een voor verzoekster belastend besluit, zodat op het college de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid om tot beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering over te gaan.

LJN AS6918 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven en het feit dat het college in de proceskosten van gedaagde in beroep is veroordeeld, leveren geen grond op om te oordelen dat in dit geval aan de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

LJN AT3047 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het besluit om de beëindiging van de bijstandsuitkering te handhaven stand zal kunnen houden.

LJN AT3049 - Opschorting bijstandsuitkering op de grond dat betrokkenen weigerden mee te werken aan een heronderzoeksgesprek over hun verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Afwijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening omdat volgens de voorzieningenrechter het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.

LJN AT3370 - Er is voldoende aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de werking van de aangevallen uitspraak op het betreffende onderdeel op te schorten totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep.

LJN AT4753 - Weigering bijstandsuitkering omdat het op €22.454,28 vastgestelde vermogen van verzoeker voldoende is om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het college bevoegd aan het toekennen van bijstand de verplichting te verbinden dat verzoeker binnen twee maanden na bekendmaking van het nader te nemen toekenningsbesluit de vordering bij zijn moeder opeist. Met de belangen van verzoekers moeder behoeft het college in het kader van de bijstandverlening aan verzoeker geen rekening te houden, aangezien zij geen subject van bijstandverlening is.

LJN AT7045 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De rechtsvraag leent zich niet voor beantwoording in het kader van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

LJN AT7192 - Afwijzing verzoek om wraking. De Raad is van oordeel dat in hetgeen door verzoeker aan zijn verzoek om wraking ten grondslag is gelegd geen feiten of omstandigheden zijn gelegen die specifiek betrekking hebben op de persoon van één of meer van de betrokken rechters in het onderhavige geval. Een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig is geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet en dient in zoverre dan ook reeds daarom te worden afgewezen.

LJN AT8028 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit hennepteelt. De Raad oordeelt dat appellant van zijn werkzaamheden in het geheel geen boekhouding of anderszins een administratie heeft bijgehouden aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of ten tijde in geding al dan niet sprake is geweest van inkomsten. Appellant heeft hiermee een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand, geheel voor zijn rekening dienen te blijven.

LJN AT8526 - Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) vermogen in onroerend goed in Duitsland en een betaling van DM 40.000,- op een verzwegen Duitse bankrekening. Appellanten hebben onvoldoende inlichtingen over dit vermogen verstrekt om het college in staat te stellen het recht op bijstand vast te stellen. De aan appellanten in eigendom toebehorende woning is in het kader van het faillissement in het openbaar verkocht.

LJN AT9299 - Weigering Bbz- en Ioaz-uitkering omdat niet aan het begrip zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 en de Ioaz is voldaan. Volgens het college zou de ondernemingsvorm van een stichting het niet mogelijk maken om verzoeker aan te merken als zelfstandige. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker, die twee stichtingen voert, ten onrechte niet is aangemerkt als zelfstandige. Niet de juridische constructie is bepalend, als wel de mate waarin de situatie in economisch opzicht overeenkomt met die behorend bij een eenpersoonsbedrijf.

LJN AT9306 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Het college stelt belang te hebben bij een voorlopige voorziening omdat anders uitvoering gegeven zou moeten worden aan de beslissing van de rechtbank en een nieuw besluit genomen zou moeten worden waar het college het inhoudelijk/juridisch niet mee eens is en daarvan in hoger beroep is gekomen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN AT9318 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoeker niet (langer) op het door hem opgegeven adres woont. Verzoeker heeft onjuiste informatie verstrekt inzake zijn woonadres zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank is de voorzieningenrechter van de Raad van oordeel dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of verzoeker ten tijde in geding (jegens het gedaagde college) recht had op bijstand. Bij de nieuwe aanvraag om bijstand zijn geen nieuwe of anderszins nadere gegevens verstrekt.

LJN AT9324 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. De aangevoerde omstandigheden vormen geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN AU0687 - Onterechte afwijzing bijstand (ten bedrage van het verschil tussen alleenstaandeoudernorm en alleenstaandennorm) voor kinderen van illegale vreemdelingen, omdat, gelet op het IVRK, het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen (zeer dringende redenen).

LJN AU1069 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten en vermogen. Appellant heeft niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting voldaan, zodat als gevolg daarvan niet (meer) kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre hij ten tijde hier van belang over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tevens in geding is de vraag of terecht is besloten de nieuwe aanvraag om bijstandsuitkering met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen.

LJN AU1156 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Oplegging maatregel van 40% verlaging van de bijstandsuiktering voor onbepaalde duur omdat betrokkene in strijd met de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb voor de vierde keer binnen twaalf maanden de inschakeling naar arbeid heeft verstoord. De gedraging van betrokkene is terecht gekwalificeerd als het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen van regulier werk.

LJN AU1159 - Afwijzing wrakingsverzoek. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) rechterlijke partijdigheid van mr. Th.C. van Sloten.

LJN AU1241 - Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De Raad oordeelt dat, gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht, de portokosten en de kosten van door appellant geïnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is voor een (aanvullende) vergoeding van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb evenmin plaats.

LJN AU1248 - Gegrondverklaring verzet. In geding is de vraag of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet verschoonbaar niet tijdig voldoen van het griffierecht. De tekst van het laatste rappel van de griffier bevat geen nieuwe dreiging met niet-ontvankelijkverklaring. De Raad is van oordeel dat opposant niet kan worden tegengeworpen dat hij het griffierecht niet vóór de gestelde datum heeft betaald.

LJN AU1250 - Oplegging maatregel van 10% gedurende één maand. Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar vanwege het ontbreken van procesbelang. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afdoende is aangetoond dat appellant geweigerd heeft mee te werken aan het re-integratietraject en dat die gedraging moet worden gezien als het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid. De door appellant opgevoerde portokosten en kosten van door hem geïnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak verbindt de Awb geen consequenties.

LJN AU1837 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogen dat de vermogensgrens te boven gaat. Door deze schending van de inlichtingenverplichting valt het recht op bijstand niet vast te stellen. Het college heeft de nieuwe bijstandsaanvraag terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag waarbij niet is gebleken van nieuwe, rechtens relevante, feiten of omstandigheden in vergelijking met die ten tijde van de eerdere aanvraag.

LJN AU1850 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat verzoeker niet uiterlijk op de gestelde datum de nadere gegevens heeft verstrekt waar het college om had verzocht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over de gevraagde bankafschriften te beschikken en deze tijdig te overleggen. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt de aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt.

LJN AU1953 - Herziening en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij geen weet had van de verlening van bijstand aan haar partner, die zowel bij de aanvraag om een gezinsuitkering als op de inlichtingenformulieren haar handtekening zou hebben vervalst. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij vanaf de datum in geding niet meer met hem samenwoont en inmiddels wettig van hem is gescheiden.

LJN AU1956 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van spoedeisend belang. In geding is de hoogte van het vastgestelde aflossingsbedrag van de ten onrechte te veel ontvangen bijstandsuitkering. De omstandigheid dat het college meerdere zaken in behandeling heeft waarbij een afbetalingsregeling moet worden vastgesteld, maakt de onderhavige zaak niet anders omdat de door het college bestreden overwegingen van de rechtbank uitsluitend betrekking hebben op de zich in dit geval voordoende specifieke situatie en geen betekenis hebben voor door het college te behandelen bezwaren van andere personen dan gedaagde.

LJN AU4517 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het verzoek om overlegging van het laatste bankafschrift en het bezwaar tegen de bevestiging van een vakantiemelding, op de grond dat deze feitelijke handelingen op zichzelf niet zijn gericht op enig rechtsgevolg. De betreffende brieven zijn niet aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

LJN AU5293 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter is met verzoekster van oordeel dat de beschikbare gegevens geen grondslag bieden voor de vaststelling dat de activiteiten van betrokkene, noch doordeweeks noch in het weekeinde, in overwegende mate worden ondernomen vanuit de woning van verzoekster. Dat betrokkene zijn hoofdverblijf heeft in de woning van verzoekster is dan ook niet komen vast te staan. Het college heeft niet voldaan aan de onderzoeksplicht. Toekenning schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering.

LJN AU5323 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Weigering bijstandsuitkering omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoeker is er niet in geslaagd in toereikende mate op concrete en verifieerbare wijze inzicht te geven in zijn financiële situatie als beëindigende zelfstandige. De voorzieningenrechter is derhalve met de rechtbank van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of verzoeker ten tijde in geding verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de Wwb. Het enkele gegeven dat verzoeker diverse schulden had, kan hier niet aan afdoen.

LJN AU5325 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Terechte intrekking bijstandsuitkering op de grond dat wegens onjuiste opgave van het woonadres het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de nadere stelling van verzoeker dat hij ten tijde in geding in feite geen vaste woon- of verblijfplaats had daaraan geenszins kan afdoen nu hij destijds zelf het adres als zijn woonadres bij de GBA en het college heeft opgegeven.

LJN AU5583 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant in gebreke is gebleven de gevraagde gegevens aan te leveren, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het college de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

LJN AU6047 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat verzoekster telkens geen gevolg gegeven aan oproepingen in het kader van het begeleidingstraject. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van de datum in geding gebruik heeft kunnen maken.

LJN AU6363 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging omdat appellant heeft verzwegen dat hij met ingang van de datum in geding onderwijs volgt, zodat hij geen recht op bijstand heeft. Appellant heeft het college niet tijdig en niet voldoende ingelicht over zijn studie aan de Islamitische Universiteit Rotterdam. Met betrekking tot de aan appellante opgelegde boete stelt de Raad vast dat haar ten onrechte een boete is opgelegd nu zij niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 14a van de Abw kan worden aangemerkt. De aan appellant opgelegde boete acht de raad terecht.

LJN AU7410 - De aanvraag voor bijstandsuitkering is buiten behandeling gesteld. Betrokkenen hebben niet binnen de hersteltermijn volledig voldaan aan het verzoek om aanvullende gegevens te leveren. Afwijzing voorlopige voorziening. Kortsluiting.

LJN AU7415 - Ongegrondverklaring verzet omdat bij het instellen van het hoger beroep het verschuldigde griffierecht onverschoonbaar niet binnen de gestelde termijn van vier weken is betaald. De Raad gaat voorbij aan de aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht.

LJN AU7664 - Oplegging maatregel van 10% en van 5% gedurende één maand wegens het niet verschijnen op oproepingen in het kader van de re-integratie van appellant. De Raad geeft uitleg over het overgangsrecht naar de Wwb. Van enig beletsel voor onverkorte toepassing van het sanctieregime van artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de gemeentelijke afstemmingsverordening is in dit geval geen sprake. De opgelegde verlaging van de bijstand kan niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie.

LJN AU8871 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoekster heeft aangegeven duurzaam gescheiden te leven van haar echtgenoot, terwijl daarover op basis van het door het college geconstateerde twijfels zijn ontstaan. De voorzieningenrechter vernietigt het intrekkingsbesluit omdat de beschikbare gegevens geen toereikende basis bieden voor de vaststelling dat verzoekster en haar echtgenoot ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefden.

LJN AU8949 - Weigering bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ter grootte van €150.000,- en een periodieke bijdrage van €4000,- per maand. In geding is de vraag of aan het verlenen van bedrijfskrediet de voorwaarde mag worden verbonden tot vestiging van een hypotheek op de woning van appellant.

LJN AU9126 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet tijdig het informatieformulier heeft ingeleverd, hoewel hij er uitdrukkelijk op is gewezen dat dit zal leiden tot beëindiging van het recht op bijstand. Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan van intrekking zou moeten worden afgezien.

LJN AU9217 - Verlaging van de gemeentelijke toeslag met 15% van het minimumloon omdat voor gedaagde aan het wonen op het motorjacht geen woonkosten zijn verbonden. Een woonschip is ook een woning in de zin van de Wwb. Een lagere bijstandsnorm is mogelijk indien er sprake is van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie.

LJN AU9226 - Toekenning bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor de kosten van belastingaanslagen wegens te veel ontvangen algemene heffingskorting over de jaren 2002 en 2003. De Raad oordeelt dat verlening van bijzondere bijstand om niet er in feite op neer zou komen dat appellant het onterechte belastingvoordeel behoudt. In aanmerking genomen dat appellant destijds zelf heeft gesignaleerd dat hij te veel aan inkomsten ontving, heeft het op zijn weg gelegen hierover - in het bijzonder omtrent het recht op en de (wijze van) betaling van de algemene heffingskorting - opheldering te vragen bij de Belastingdienst.

LJN AV0060 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet vóór de gestelde datum de gevraagde gegevens heeft overgelegd. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant gedurende de hem geboden hersteltermijn niet in staat is geweest over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen, dan wel zijn belangen te laten behartigen door een derde.

LJN AV0083 - Ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank de brief van gedaagde ten onrechte als bezwaar aangemerkt en niet-ontvankelijk verklaard. Nu de gevraagde ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verleend, kan het college ter zake van al dan niet terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar met zijn hoger beroep niet bereiken dat op dit onderdeel in hoger beroep een voor hem gunstiger resultaat wordt bereikt dan in beroep. Het hoger beroep van het college wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het college geen procesbelang heeft bij de beantwoording van een principiële rechtsvraag.

LJN AV0133 - Herziening bijstandsuitkeringen wegens gezamenlijke huishouding. Nadat appellant had opgegeven een kamer te huren in de woning van appellante, zijn de afzonderlijke uitkeringen van appellanten herzien in één gezamenlijke uitkering naar de norm voor gehuwden. Naar het oordeel van de Raad is door appellanten niet aangetoond dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie.

LJN AV0197 - Weigering bijstandsuitkering aan de niet rechtmatig hier te lande verblijvende ouders van appellanten omdat zij geen personen zijn als bedoeld in artikel 11 van de Wwb en bijstandverlening wegens zeer dringende redenen niet mogelijk is op grond van artikel 16, tweede lid, van de Wwb. Naar het oordeel van de Raad moet aan appellanten algemene bijstand worden verleend. Waar het hier gaat om een individueel recht van elk van appellanten, ligt het wat de hoogte van deze bijstand betreft voor de hand dat aansluiting wordt gezocht bij de norm voor alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar.

LJN AV1194 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat ook nadat gedaagde door het college in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen, namens gedaagde geen gronden van het bezwaar zijn aangevoerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat namens gedaagde geen gronden van het bezwaar zijn aangevoerd. Niet blijkt op grond van welke feiten en omstandigheden het college van mening is dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AV1341 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het college dat gedaagde in de in geding zijnde periode in de winkel van zijn zwager werkzaamheden heeft verricht. Aangezien hier sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, hoefden gedaagden niet voorafgaand aan het te nemen besluit te worden gehoord.

LJN AV1421 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over de periode in geding, met inachtneming van verjaringsbepalingen, wegens verzwegen inkomsten uit koopvaardijpensioen. De Raad oordeelt dat de pensioengelden te beschouwen zijn als in aanmerking te nemen inkomsten, waarop de bijstand slechts behoeft aan te vullen. Inkomstenvrijlating is daarbij niet van toepassing.

LJN AV1700 - Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. De vaststelling van het aflossingsbedrag stemt overeen met 50% van de ruimte in het inkomen boven de beslagvrije voet. De andere helft werd reeds benut voor aflossing in verband met een vordering wegens achterstallige verhaalsbijdragen. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat sprake is van een bevoorrechte vordering, welke voorrang heeft boven de schuld bij de SNS-bank waarop tot dan toe eenzelfde bedrag werd afgelost.

LJN AV3031 - Weigering bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand. Hierbij heeft het college de omstandigheden betrokken dat er geen sprake is van toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand en dat de door de advocaat gemaakte kosten betrekking hebben op de in het verleden door appellant gevoerde procedures tegen personen en/of instanties die betrokken waren bij zijn faillissement en de surseance van betaling.

LJN AV3103 - Weigering woonkostentoeslag omdat appellant onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond door zich onvoldoende in te spannen om een goedkopere woning te verkrijgen. Ten tijde in geding konden de woonkosten niet (meer) worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

LJN AV3921 - Verlaging gemeentelijke toeslag van 20% naar 10% omdat appellante met meer mensen in één huis woont. De Raad oordeelt dat gelet op de uitdrukkelijke ontkenning van zowel appellante als haar vermeende medebewoner (betrokkene) dat laatstgenoemde zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante waarbij tevens is gemeld op welk adres betrokkene wel zijn hoofdverblijf heeft, het in de gegeven omstandigheden op de weg van het college lag om naar het hoofdverblijf van betrokkene nader onderzoek in te stellen en niet af te gaan op de indruk of vermoedens van enkele ambtenaren van de sociale dienst bij een huisbezoek.

LJN AV3927 - Ongegrondverklaring verzet. Er is geen sprake van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op het wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.

LJN AV4727 - Toekenning aanvraag om aan appellanten een geldlening te verstrekken ter overbrugging van de periode waarmee de betaling van hun bijstandsuitkering wordt opgeschoven. In geding is de vraag of de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en het college terecht heeft besloten appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaren.

LJN AV4749 - Weigering bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld omdat wat het reeds afgeloste deel van de geldlening betreft geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten en dat wat het nog niet afgeloste deel betreft sprake is van een verzoek om bijstand voor de aflossing van een schuld, waartegen de wet zich verzet.

LJN AV4763 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep onverschoonbaar niet tijdig is betaald. Van degene die gebruikmaakt van een postbus als briefadres mag worden verwacht dat hij regelmatig zelf de postbus leegt of een door hem aangewezen persoon laat legen opdat berichten omtrent toegezonden aangetekende stukken hem tijdig bereiken.

LJN AV4827 - Gegrondverklaring verzet. Opposant was wegens ziekte verhinderd en de hem toegezonden stukken had hij niet kunnen lezen. Opposant kan alsnog op een zitting van de rechtbank zijn zaak bepleiten.

LJN AV5880 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit activiteiten als hondenfokker. De Raad oordeelt dat de inkomsten over de eerste periode in geding niet juist zijn vastgesteld omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de gemaakte kosten, zoals berekend door IMK Intermediair. Met betrekking tot de tweede periode in geding heeft appellant niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de cijfers over opbrengsten en kosten niet deugen en met name niet dat de aan het fokken en de verkoop van bulldogs verbonden kosten door het college te laag zijn ingeschat.

LJN AV7292 - Ongegrondverklaring verzet. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen een uitspraak op verzet van een rechtbank. Hetgeen namens opposanten is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op dit wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.

LJN AV7774 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding, waarbij het college het terugvorderingsbedrag heeft beperkt in verband met persoonlijke omstandigheden van appellante. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat is voldaan aan zowel het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als het criterium van het blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

LJN AV7775 - Medeterugvordering van appellant van de bijstandsuitkering van betrokkene wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding, waarbij het college het terugvorderingsbedrag heeft beperkt in verband met persoonlijke omstandigheden van betrokkene. Het college heeft appellant terecht aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan betrokkene rekening had moeten worden gehouden.

LJN AV7777 - Geleidelijke verschuiving betaaldata bijstandsuitkering. De Raad is van oordeel dat met het door het college gehanteerde systeem van gefaseerde verschuiving van de betaaldata van een leemte in de uitbetaling van de algemene bijstand nauwelijks sprake is. Ook bij de jaarlijkse vaststelling van betaaldata kan het voorkomen dat door feestdagen, weekeinden of een schrikkeljaar de periode tussen twee uitkeringen enigszins verschilt.

LJN AV7871 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen om de benodigde gegevens en bescheiden, waarover hij redelijkerwijs had kunnen beschikken, aan het college te verstrekken.

LJN AV8561 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet tijdig binnen de gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. Daarbij tekent de Raad aan dat niet is gebleken dat opposant van de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht van het onderhavige hoger beroep gebruik heeft gemaakt.

LJN AV8564 - Beëindiging bijstandsuitkering omdat appellant moet worden aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 en in die hoedanigheid geen recht heeft op algemene bijstand. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat appellant als bestuurslid van een stichting vanwege zijn werkzaamheden voor de stichting als rechtshulpverlener en webmaster moet worden aangemerkt als zelfstandige.

LJN AV8581 - Weigering kwijtschelding restantschuld omdat de vordering door hypotheek is gedekt en dat de beschikking van de kantonrechter dient te worden gerespecteerd. De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek (krediethypotheek). De Raad oordeelt dat het college een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het door het college ter zake van afzien van verdere terugvordering van kosten van bijstand gevoerde beleid.

LJN AV8584 - Weigering bijzondere bijstand in de vorm van een langdurigheidstoeslag omdat de echtgenoot van appellante niet verkeerde in een situatie dat een concreet arbeidsmarktperspectief ontbrak. De Raad passeert de omstandigheden dat de echtgenoot ten tijde in geding de Nederlandse taal nog niet beheerste en nog geen inburgeringscursus had gevolgd, omdat die omstandigheden niet in de weg staan aan het aanvaarden van arbeid waarvoor kennis van het Nederlands niet vereist is.

LJN AV8586 - Ingangsdatum recht op bijstandsuitkering. Appellant heeft aangevoerd reeds eerder een bijstandsuitkering bij de CWI te hebben aangevraagd en aangegeven dat het hem niet kan worden verweten dat de CWI dit niet juist heeft doorgeleid naar het college. Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie dat appellant, na de melding bij de CWI, de aanvraag verwijtbaar te laat heeft ingediend.

LJN AV8610 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogensbestanddelen in Turkije. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door het college verzamelde onderzoeksgegevens voldoende is komen vast te staan dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten over vermogen waarvan de waarde ruim uitsteeg boven de toepasselijke vermogensgrens.

LJN AV8690 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen. Het is de Raad niet gebleken dat appellant zich niet eerder dan op de datum in geding bij de CWI had kunnen melden. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN AV8693 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening om de invordering van het teruggevorderde bedrag en de administratieve kosten op te schorten. De voorzieningenrechter ziet thans geen aanknopingpunten om te oordelen dat het college met betrekking tot de periode in geding niet in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheden gebruik zou kunnen maken.

LJN AV8701 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat er op de datum in geding sprake was van wederzijdse zorg. Aan de stelling dat gedaagde met haar partner een kostgangersrelatie onderhield, gaat de Raad voorbij.

LJN AW0982 - Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Van redenen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest, is de Raad niet gebleken.

LJN AW1312 - Afwijzing verzoek om herziening. De feiten en omstandigheden waarop verzoekster zich beroept, dateren alle van vóór deze uitspraak en zijn in de procedure die tot de uitspraak heeft geleid - materieel - ook aan de orde geweest. Er is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden die bij verzoekster vóór de uitspraak niet bekend waren.

LJN AW1316 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat is gebleken dat appellante over de periode in geding een WAO-uitkering heeft ontvangen zonder dat deze in mindering is gebracht op haar bijstandsuitkering. De WAO-uitkering is inkomen in verband met arbeid en niet uit arbeid en dient volledig in mindering te worden gebracht op de bijstandsuitkering. Er kan dan ook geen sprake zijn van inkomstenvrijlating. Appellante heeft tevens recht op de andere helft van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

LJN AW1757 - Oplegging van een nadere verplichting gericht op de inschakeling in de arbeid om te kunnen vaststellen welk traject ten behoeve van de inschakeling in de arbeid is aangewezen. Appellant heeft uiteindelijk geweigerd mee te werken aan het psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek omdat hij de noodzaak daarvan niet inziet. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid aan appellant de verplichting heeft kunnen opleggen om mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek.

LJN AW3042 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van de woning omdat de gevraagde kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten aangezien van de noodzaak van het verwerven en aanhouden van een eigen permanente woonruimte niet is gebleken. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van procesbelang nu de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zijn gemaakt en ook niet meer kunnen worden gemaakt nu verzoeker niet meer woonachtig is op het betreffende adres. Volgens vaste rechtspraak, ook van de Raad, vormt de enkele wens om een principiële uitspraak te verkrijgen in het kader van de rechtsbescherming ingevolge de Awb geen rechtens te honoreren procesbelang.

LJN AW4351 - Weigering bijstandsuitkering. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad volgt appellante niet in haar stellingname dat zij als gevolg van ernstige psychische problemen niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel de juiste persoon in te schakelen om haar belangen te behartigen.

LJN AW4858 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd de Raad in de hoofdzaak niet leiden tot de vaststelling dat er aanleiding is voor doorbreking van het appèlverbod.

LJN AW5365 - Weigering bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van een fauteuil, bed, matras en koel/vriescombinatie. De kredietmogelijkheid bij de gemeentelijke kredietbank heeft het college in dit geval als toereikende en passende voorliggende voorziening mogen aanmerken. Er is geen sprake van een noodsituatie.

LJN AW5581 - Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat het rapport van de sociale recherche een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellanten gedurende de gehele periode in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en wel door afwisselend voor het merendeel van de week tezamen in de woning van appellante dan wel in de woning van appellant te verblijven en dat tevens in die periode sprake is geweest van wederzijdse zorg. Appellant is terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand.

LJN AW7231 - Afwijzing verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Gesteld noch gebleken is dat er voor betrokkene bedreigende schulden zijn.

LJN AW7736 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellante niet van te voren aan het college heeft gemeld dat zij in de periode in geding in Marokko heeft verbleven, als gevolg waarvan haar woon- en leefsituatie en derhalve ook het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In geding is de vraag of het recht op bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.

LJN AX1337 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep omdat de rechtbank het bezwaar van appellant tegen de werkpolis niet-ontvankelijk acht aangezien de werkpolis niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad oordeelt dat het voorbehoud van appellant bij de ondertekening van de werkpolis niet is aan te merken als een bezwaar. Hieruit volgt dat ten tijde van het instellen van het beroep bij de rechtbank geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op een gemaakt bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank het bij haar aanhangig gemaakte beroep op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit tot voortzetting van de bijstandsuitkering had moeten doorzenden naar het college.

LJN AX1338 - Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellante is over de periode in geding niet als een zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder bestond. Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand.

LJN AX1621 - Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellante is over de periode in geding niet als een zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder bestond. Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand.

LJN AX1646 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een reservepruik. Aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellant dat de gerepareerde pruik reeds ten tijde hier van belang was versleten en derhalve niet kon fungeren als reservepruik, ontbreken.

LJN AX2439 - Intrekking bijstandsuitkering omdat het adres waar appellante aangeeft feitelijk te verblijven niet in overeenstemming is met de adresgegevens in de GBA. Het college heeft het intrekkingsbesluit niet aan de advocaat van appellante toegezonden. Aangezien de advocaat zich in de opschortingsprocedure als gemachtigde had gesteld, had het besluit echter aan hem moeten worden toegezonden. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft ten onrechte het bezwaar tegen het (opschortings)besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Voorts was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 40, derde lid, van de Wwb het recht op bijstand van appellante met ingang van de datum in geding op te schorten.

LJN AX3047 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van spoedeisend belang. De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, is niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

LJN AX3057 - Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven. Aangezien appellante ook op de datum in geding niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, is het recht op bijstand met ingang van die datum terecht beëindigd.

LJN AX3284 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Door de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college terecht niet kunnen vaststellen of appellant in de in geding zijnde periode nog verkeerde in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wwb. Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet mede namens haar beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.

LJN AX3772 - Weigering bijstandsuitkering omdat vanwege het ontbreken van de gevraagde en benodigde gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad heeft in hetgeen door het college in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank inzake schending van de hoorplicht voor onjuist te houden. De Raad volgt het college eveneens niet in zijn stelling dat het primaire besluit is genomen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb en dat de rechtbank ten onrechte elementen die zich nadien hebben voorgedaan in haar oordeelsvorming heeft betrokken.

LJN AX5374 - Proceskostenveroordeling na intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan. De Raad wijst het verzoek van betrokkene toe om het college te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

LJN AX6479 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres. De schending van de inlichtingenverplichting heeft als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

LJN AX6489 - Weigering om met behoud van bijstand zich te kunnen voorbereiden op de start als zelfstandig ondernemer. Alvorens de belanghebbende tot de voorbereidingsfase wordt toegelaten, dient het college zich ervan te vergewissen dat aannemelijk is dat na deze voorbereiding een succesvolle vervolgaanvraag op grond van het Bbz kan worden ingediend. Blijkens het uitgebrachte advies is dat in onderhavig geval niet aannemelijk.

LJN AX6558 - Weigering bijzondere bijstand voor een achterstand in betalingen, ontstaan als gevolg van de terugbetaling van het verleende overbruggingskrediet, omdat sprake is van een verzoek om bijstand voor de aflossing van een schuldenlast, waartegen de wet zich verzet.

LJN AX6563 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant gedurende de periode in geding niet woonachtig was in de gemeente zonder hiervan melding aan het college te doen. De Raad oordeelt dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat aan appellant over de periode in geding ten onrechte bijstand is verleend.

LJN AX6765 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet voldoende inlichtingen heeft verstrekt, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft appellant onder meer verzocht aan te tonen aan de hand van concrete, deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken op welke wijze hij vanaf de datum in geding in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

LJN AX6773 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat betrokkene heeft verzuimd mededeling te doen van het feit dat zij en haar echtgenoot uit de gemeente zijn vertrokken. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag omdat betrokkene niet heeft aangetoond duurzaam gescheiden te leven van haar echtgenoot en dat zij geen inlichtingen heeft verstrekt omtrent de woon- en verblijfplaats en de inkomenspositie van haar echtgenoot. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot ten tijde in geding niet beschikte over inkomsten die in mindering zouden moeten worden gebracht op de aan betrokkene toekomende norm voor een alleenstaande ouder.

LJN AX6778 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat betrokkene de aanvraag niet binnen de gestelde termijn met de gevraagde nadere gegevens heeft aangevuld. Tevens heeft het college de verstrekte voorschotten van betrokkene en diens echtgenote teruggevorderd. Volgens de Raad heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht geoordeeld dat betrokkene en zijn echtgenote uiteindelijk voldoende duidelijkheid hebben verschaft omtrent het verblijf van betrokkene in het Verenigd Koninkrijk en in voldoende mate inzicht hebben gegeven in hun financiële positie, zodat het recht op bijstand per datum in geding kon worden vastgesteld.

LJN AX6821 - Ongegrondverklaring verzet. In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard nu appellant niet binnen de gestelde termijn de gronden waarop het hoger beroep berust, heeft ingediend.

LJN AX6830 - Ongegrondverklaring verzet omdat de overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht niet verschoonbaar kan worden geacht. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Indien het saldo op zijn bankrekening niet toereikend was, had van appellant mogen worden verwacht dat hij binnen de gestelde termijn aan de Raad om uitstel van betaling had verzocht.

LJN AX6834 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en derhalve ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod. Het betoog van verzoeksters ziet in wezen op de onjuistheid van de aangevallen uitspraak.

LJN AX6853 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De schending van de inlichtingenverplichting heeft ertoe geleid dat aan appellant over de periode in geding ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande is verleend. De ten behoeve van de echtgenote van appellant gemaakte kosten van bijstand worden mede van appellant teruggevorderd.

LJN AX7091 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en derhalve ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod omdat van enige schending van beginselen van een goede procesorde niet is gebleken. Het betoog van verzoeker ziet in wezen op de beweerde onjuistheid van de aangevallen uitspraak.

LJN AX7229 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding en inkomsten uit arbeid. De schending van de inlichtingenverplichting heeft ertoe geleid dat aan appellante over de periode in geding ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. De ten behoeve van de echtgenoot van appellante gemaakte kosten van bijstand worden mede van appellante teruggevorderd.

LJN AX7440 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellante niet in verzuim is geweest. Er is geen sprake van overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante, omdat het beroep is ingediend nadat het faillissement van appellante was uitgesproken maar voordat dit bij gebrek aan baten was opgeheven, niet bevoegd was beroep in te stellen.

LJN AX7443 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellant niet in verzuim is geweest. Er is geen sprake van overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant, omdat het beroep is ingediend nadat het faillissement van appellant was uitgesproken maar voordat dit bij gebrek aan baten was opgeheven, niet bevoegd was beroep in te stellen.

LJN AX7480 - Weigering bijstandsuitkering omdat na eerdere afwijzing van de bijstandsaanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat nu wel recht op bijstand bestaat. Volgens de Raad moet het veelal achter de balie aanwezig zijn in een horecagelegenheid, ook in het geval niet voortdurend sprake is van het bedienen van klanten, als productieve arbeid worden aangemerkt.

LJN AX7882 - De rechtbank heeft terecht het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft niet kunnen aantonen dan wel voldoende aannemelijk kunnen maken dat redelijkerwijs niet binnen de termijn een (voorlopig) bezwaarschrift kon worden ingediend.

LJN AX7959 - Weigering bijstandverlening met terugwerkende kracht. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden die tot een eerdere ingangsdatum zouden moeten leiden, is de Raad niet gebleken.

LJN AX8384 - Afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van een resterende aflossingsschuld inzake onverschuldigd betaalde bijstand, omdat het college niet bevoegd is om van verdere terugvordering af te zien.

LJN AX8426 - Intrekking bijstandsuitkering wegens het geen gehoor geven aan oproepingen voor een gesprek met het verzoek de in die oproepingen vermelde gegevens mee te nemen. In geding is de vraag of de hersteltermijn voor het overleggen van de gevraagde gegevens is overschreden.

LJN AX8485 - Ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het bezwaar wegens termijnoverschrijding. De Raad is van oordeel dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat het bestreden besluit daadwerkelijk in de periode in geding ter verzending aan TPG Post is aangeboden. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

LJN AX8498 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten dan wel vermogen uit exploitatie van een hennepdrogerij in de woonwagen van appellant. De door appellanten aangevoerde omstandigheid dat die woonwagen feitelijk niet door appellant werd bewoond, doet niet ter zake, omdat appellant als eigenaar verantwoordelijk was voor en toezicht had te houden op de wijze waarop zijn woonwagen werd gebruikt. Appellanten hebben onvoldoende informatie met betrekking tot de inkomens- en vermogenspositie verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN AX8589 - Verlaging bijstandsuitkering met 100% voor de duur van één maand op de grond dat betrokkene niet is verschenen op een oproep. Het college had (ook) het besluit op bezwaar moeten nemen met toepassing van artikel 14 van de Abw en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat aan betrokkene met ingang van de datum in geding een maatregel wordt opgelegd van 20% van de bijstand gedurende één maand.

LJN AX8728 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de aan haar toegekende ontslagvergoeding. De Raad geeft uitleg over de criteria voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen. Er is onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante volledig tekort is geschoten in de nakoming van de inlichtingenverplichting.

LJN AX8729 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant, die als rondvaartschipper aan boord woont, niet verblijft op het door hem opgegeven adres. Daarbij heeft het college aangegeven dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. In geding is de vraag in welke gemeente appellant in de periode in geding feitelijk verbleef.

LJN AX8731 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante zonder voorafgaande toestemming van het college naar het buitenland is vertrokken, waardoor niet meer kon worden vastgesteld of appelante nog recht had op bijstand. Anders dan het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat appellante in verband met haar niet vooraf gemelde verblijf in het buitenland niet aanwezig was bij het huisbezoek brengt niet mee dat de woon- en leefsituatie van appellante en derhalve het recht op bijstand ten tijde hier van belang niet kan worden vastgesteld.

LJN AX8735 - Herziening bijstandsuitkering wegens inkomsten uit verhuur van appellantes woning in Suriname. Bij de vaststelling van de huuropbrengst dient rekening te worden gehouden met het feit dat appellante slechts voor 10/18 deel eigenaar van de woning is. Tevens dient rekening te worden gehouden met de door appellante aangegeven eigenaarslasten.

LJN AX8778 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht onverschoonbaar niet binnen de gestelde termijn is betaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij, mede als gevolg van het grote aantal door hem aanhangig gemaakte procedures, niet in staat was en is om het griffierecht te voldoen. De Raad oordeelt dat appellant op geen enkele wijze binnen de gestelde termijn van vier weken aan de Raad kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht.

LJN AX8782 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan. De Raad stelt vast dat appellant zijn standpunt dat sprake is van een onjuiste partijstelling, in het kader van de (inhoudelijke) behandeling van het hoger beroep aan de orde kan stellen. Er is echter geen ruimte om de (verplichting tot) betaling van het griffierecht afhankelijk te stellen van honorering van dit standpunt.

LJN AX8796 - Herziening en terugvordering van de te hoog vastgestelde aanvullende bijstandsuitkering wegens onjuiste opgave van de WAO-uitkering en verblijf in het buitenland zonder voorafgaande toestemming van het college. Nu de herziening en terugvordering niet langer door appellant worden betwist, is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte te honoreren belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

LJN AX8855 - Weigering bijstandverlening met ingang van een eerdere datum dan die van melding bij de CWI. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden die tot een eerdere ingangsdatum zouden moeten leiden, is de Raad niet gebleken.

LJN AX8876 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan door niet de gevraagde gegevens te verstrekken over de door hem opgerichte stichting waarvoor hij onbetaalde arbeid verricht.

LJN AX8888 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het onderhoud van kinderen in Marokko. Volgens vaste rechtspraak sluit het territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Naar het oordeel van de Raad zijn de door appellant ten behoeve van zijn kinderen in Marokko te maken onderhoudskosten niet aan Nederland verbonden.

LJN AX8897 - Terugvordering bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel omdat appellant door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. Appellant is voor de zitting van de rechtbank door de griffier per gewone brief uitgenodigd en niet per aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging. Dat betekent dat appellant niet op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van zijn zaak. De Raad voorziet zelf in de zaak en laat de rechtsgevolgen in stand.

LJN AX9120 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellant verwijtbaar heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde informatie te verstrekken. Niet gebleken is dat appellant ter zake geen verwijt kan worden gemaakt.

LJN AX9263 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellante, door bij het huisbezoek geen toegang te verlenen tot de zolder en de schuur, niet heeft voldaan aan de verplichting om medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet, zodat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. In geding is de vraag of het onderzoek van de schuur en de zolder noodzakelijk was.

LJN AX9298 - Weigering bijzondere bijstand voor de aanschaf van een identiteitskaart. De kosten voor de aanschaf van een identiteitskaart behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten de betrokkene in beginsel zelf uit de bijstandsnorm dient te voldoen.

LJN AX9303 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van orthodontie. Vernietiging van de uitspraak van de rechtbank vanwege de vermelding van de onjuiste rechter in de uitspraak. De Zfw is voor de kosten van tandheelkundige hulp als een aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorziening aan te merken. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de Wwb in beginsel aan de toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat. Er is geen sprake van zeer dringende redenen, zoals een acute noodsituatie.

LJN AX9446 - Weigering bijzondere bijstand in het kader van de voorbereiding van een eigen bedrijf, voor de kosten van twee modelstudies alsmede voor de kosten van begeleiding in de opstartfase. De Raad oordeelt dat de bedrijfsidee van appellant ten tijde van de aanvraag onvoldoende concreet was om te kunnen worden toegelaten tot de in artikel 8, zesde lid, van de Abw bedoelde voorbereidingsperiode en dat voor verlening van bijstand in de hier aan de orde zijnde kosten geen plaats is.

LJN AX9573 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat betrokkene door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. De Raad oordeelt dat appellant te lichtvaardig ontslag uit zijn dienstbetrekking heeft genomen, zodat sprake is van het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

LJN AX9596 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering vanwege verzwegen inkomsten uit arbeid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college daarvan had moeten afwijken. Dat appellante schulden heeft, kan niet als een dringende reden in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.

LJN AY0119 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante ter zake van haar woonplaats onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt die van invloed is op de uitkering, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat de bezwaartermijn is overschreden en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

LJN AY0123 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang nu volledig aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. De Raad acht termen aanwezig om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

LJN AY0156 - Weigering bijzondere bijstand ter voorziening in onder meer de kosten van woninginrichting. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dient derhalve te worden vernietigd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van woninginrichting tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel bestreden te worden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan kunnen niet op de Wwb worden afgewenteld.

LJN AY0161 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellante voorafgaand aan de aanvraag tijdens de in aanmerking te nemen periode inkomsten uit oppaswerk heeft ontvangen van in totaal ƒ100,-. Zeer geringe inkomsten uit arbeid van zeer geringe duur. Er is sprake van strijd met artikel 26 van het IVBPR omdat in dit geval een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb in het geval van appellante wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing dient te worden gelaten.

LJN AY0170 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de bezwaartermijn is aangevangen na de indiening van het bezwaarschrift, zodat sprake is van een prematuur bezwaar, waarbij niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft nu het bestreden besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen.

LJN AY0172 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding onder de overweging dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat zij op grond van de AOW als gezamenlijke huishouding zijn geregistreerd.

LJN AY0173 - Weigering langdurigheidstoeslag. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ter zake van het verlenen van een langdurigheidstoeslag sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen bijstandsgerechtigden en personen die een gedeeltelijke WAO-uitkering ontvangen.

LJN AY0191 - Weigering bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen, bestaande uit een stofzuiger, koelkast, fornuis en een televisie. De aanwezige schulden vormen geen bijzondere omstandigheden. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit worden in stand gelaten.

LJN AY0259 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat aan appellante in de periode in geding een maatregel is opgelegd wegens het onvoldoende meewerken aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. In geding is de vraag of het gemeentelijk beleid juist is toegepast en of er aanleiding bestond om wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.

LJN AY0260 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat aan appellante in de periode in geding een maatregel is opgelegd wegens verwijtbare werkloosheid. In geding is de vraag of het gemeentelijk beleid juist is toegepast en of er aanleiding bestond om wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.

LJN AY0262 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat betrokkene voorafgaande aan de aanvraag gerekend over een ononderbroken periode van 60 maanden over een langere periode een inkomen heeft ontvangen dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. In dit geding staat centraal de vraag of betrokkene in de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 november 2004 een inkomen heeft gehad dat hoger is dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.

LJN AY0263 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellante voorafgaand aan de aanvraag gedurende de in aanmerking te nemen periode van 60 maanden inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. De Raad kan het college daarin niet volgen.

LJN AY0265 - Onterechte weigering langdurigheidstoeslag. Betrokkene heeft in de periode in geding aan alle in het eerste lid van artikel 36 van de Wwb genoemde voorwaarden voor toekenning van de langdurigheidstoeslag voldaan. Het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde langdurigheidstoeslag wordt toegewezen.

LJN AY0266 - In geding is de vraag of terecht en op goede gronden is besloten beslag te leggen op de langdurigheidstoeslag en dat de toegekende toeslag aan de beslaglegger wordt uitbetaald.

LJN AY0267 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een weekendretour met de trein van €22,50 wegens een bezoek van eenmaal per maand aan appellants ouders. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, moeten reiskosten in verband met bezoek aan ouders en/of kinderen worden gerekend tot de kosten die liggen binnen de sfeer van uitgaven die in het familieverkeer normaliter voorkomen. Niet gebleken is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van bestaan.

LJN AY0269 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellant gedurende de periode van 60 maanden voorafgaande aan zijn aanvraag inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Appellant heeft in de jaren in geding onder meer voor diverse uitzendbureaus gewerkt. Gelet op artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb staat reeds deze omstandigheid in de weg aan verlening van de gevraagde langdurigheidstoeslag.

LJN AY0609 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van getuigenverhoor op Curaçao in het kader van een bij het gerechtshof ingestelde vordering tot levensonderhoud. De rechtbank oordeelt terecht dat het territorialiteitsbeginsel eraan in de weg staat om bijzondere bijstand te verlenen voor de in geding zijnde kosten, die weliswaar voortvloeien uit een in Nederland gevoerd civielrechtelijk geding, maar die in het buitenland zijn gemaakt. Daarbij is van belang dat deze kosten werkzaamheden betreffen die naar hun aard niet in Nederland, maar uitsluitend daarbuiten, namelijk op Curaçao, kunnen worden verricht.

LJN AY0642 - Oplegging maatregel van 20% gedurende drie maanden wegens het eenmalig niet melden van het op naam hebben van een auto. De Raad ziet niet in dat schending van de inlichtingenverplichting ernstiger verwijtbaar is naarmate de belanghebbende over een langere periode recht heeft gehad op bijstand.

LJN AY0668 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante bij herhaling niet heeft voldaan aan oproepingen om te verschijnen ten kantore van de sociale dienst teneinde daar de benodigde gegevens over te leggen. De nieuwe aanvraag voor bijstand wordt toegekend, maar het college acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig voor bijstandverlening met terugwerkende kracht.

LJN AY1008 - Weigering bijzondere bijstand voor extra stookkosten en extra kosten van fysiotherapie, omdat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Op medische en arbeidskundige adviezen gebaseerde intrekking van de eerder verleende ontheffing van de arbeidsverplichtingen.

LJN AY1701 - Weigering bijstandsuitkering omdat verzoekster, door geen duidelijkheid te verschaffen omtrent haar woonsituatie, de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoekster heeft niet aan de hand van objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het opgegeven adres haar feitelijke woonadres is.

LJN AY1704 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoeker niet is verschenen op de oproeping voor een heronderzoeksgesprek over zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze gedraging acht de voorzieningenrechter verwijtbaar. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de relatie tussen hem en de hem door het college toegewezen bijstandsmedewerker is verstoord, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

LJN AY1705 - Herziening en terugvordering van kosten van bijstand, voor zover deze betrekking hebben op de aan appelante verstrekte gemeentelijke toeslag van 20%, wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, dienen de aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief dat tot het voeren van een gezamenlijke huishouding heeft geleid, voor de toepassing van de wet buiten beschouwing te blijven. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan.

LJN AY3050 - Weigering bijzondere bijstand voor kosten met betrekking tot appellants motor en weigering vergoeding van de kosten van de behandeling van de bezwaren. Weigering bijzondere bijstand ter aflossing van een schuldenlast. Het college is niet bevoegd een in de vorige woongemeente ingediende, niet aan hem doorgezonden bijzonderebijstandsaanvraag in behandeling te nemen.

LJN AY3081 - Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bet bezwaar omdat de uitkering inmiddels is hervat waardoor appellant geen (financieel) belang meer heeft bij een beoordeling van het opschortingsbesluit.

LJN AY3544 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant gedurende de periode in geding werkzaamheden heeft verricht zonder daarvan aan het college melding te hebben gemaakt, ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad passeert de stelling van appellant dat hij voor zijn werkzaamheden in het geheel niet is beloond. Aan de door appellant aangevoerde omstandigheid dat de strafrechter appellant van de ten laste gelegde steunfraude heeft vrijgesproken, wordt eveneens voorbijgegaan.

LJN AY3547 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Het hoger beroep van het college richt zich, mede gelet op het verhandelde ter zitting, uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand te laten. Het college heeft niet onderkend dat met betrekking tot de onderhavige besluiten tot intrekking en terugvordering sprake is van een discretionaire bevoegdheid, zodat ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.

LJN AY3569 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. De voor appellants scheidsrechterswerkzaamheden genoten vergoedingen mogen niet buiten beschouwing worden gelaten. In aanmerking genomen de aard, de omvang, de duur en het terugkerend karakter van de werkzaamheden van appellanten op markten en braderieën, is de Raad met het college van oordeel dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid.

LJN AY3611 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten niet hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting door niet dan wel niet volledig melding te maken van vermogensbestanddelen, van handel en van inkomsten, als gevolg waarvan hun recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

LJN AY3778 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De nieuwe aanvraag voor bijstandsuitkering is afgewezen op de grond dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en betrokkene ten tijde hier in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.

LJN AY3861 - Weigering ontheffing van verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling. Weigering om met behoud van bijstandsuitkering gebruik te mogen maken van een voorbereidingsperiode als starter/zelfstandige omdat IMK Intermediair de kans op een succesvol ondernemerschap van appellant (te) gering acht en heeft geadviseerd de hulpverlening aan appellant in een andere richting voort te zetten.

LJN AY3912 - Weigering kwijtschelding van het resterende bedrag van een fraudevordering. Naar het oordeel van de rechtbank kon appellante aan het vóór 1 januari 2004 ter zake van de toepassing van artikel 78c van de Abw gevoerde beleid niet het vertrouwen ontlenen dat het college, nadat zij 120 termijnen had afgelost, haar verzoek om kwijtschelding zou inwilligen.

LJN AY3914 - Weigering ontheffing van de arbeidsverplichtingen omdat zich in de situatie van appellant geen medische of sociale omstandigheden voordoen en evenmin redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand aanwezig zijn op grond waarvan ontheffing van de arbeidsverplichtingen zou kunnen worden verleend.

LJN AY3916 - Weigering bijstandsuitkering omdat het feitelijke verblijfadres van appellant niet is vast te stellen. Aan de uitnodigingen om de noodzakelijk geachte gegevens te verstrekken, heeft appellant geen, althans niet volledig, gevolg gegeven. Evenmin is gebleken dat appellant naar aanleiding van deze schriftelijke verzoeken contact heeft gezocht met medewerkers van de Dienst Sociale Zaken.

LJN AY3957 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens onvoldoende zwaarwegende belangen, waarbij de voorzieningenrechter heeft betrokken het restitutierisico van het college, zulks mede in relatie tot de omvang van het door verzoeksters gevorderde bedrag.

LJN AY4184 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de grond dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden, zodat appellant bij een beslissing op het beroep tegen dat besluit geen belang meer heeft nu over de periode waarop dat besluit ziet appellant geen recht meer op bijstand heeft. De rechtbank is niet buiten de omvang van het geding getreden.

LJN AY4824 - Intrekking bijstandsuitkering over de periode in geding omdat het recht op bijstand van appellant als gevolg van schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Gebleken is dat appellant in de periode in geding geregeld geldbedragen op zijn girorekening heeft gestort van gemiddeld ruim €1100,- per maand en ook geregeld aanzienlijke geldbedragen van zijn rekening heeft opgenomen. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent zijn financiële situatie in de in geding zijnde periode.

LJN AY4834 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Vaststelling van inkomsten en vermogen. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is ten onrechte geconcludeerd dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN AY4836 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd. De gevraagde gegevens, waarover appellante redelijkerwijs de beschikking kon krijgen, zijn onmiskenbaar van belang om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

LJN AY4920 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens het niet binnen de gestelde termijn overleggen van gegevens en bescheiden. De gevraagde gegevens, waarover appellante redelijkerwijs de beschikking kon krijgen, zijn onmiskenbaar van belang om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant had eventuele ontbrekende afschriften bij de bank kunnen opvragen.

LJN AY4922 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat het college te weinig gegevens heeft, met name omtrent de feitelijke verblijfplaats van appellant, om de aanvraag goed te kunnen afronden. Dit wordt niet anders doordat appellant gebruikmaakt van een hem (als adresloze) door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wwb.

LJN AY4947 - Oplegging maatregel van 10% verlaging van de bijstand gedurende één maand omdat appellante veelvuldig niet is verschenen op trainingsbijeenkomsten. De Raad ziet in de gedingstukken geen grond om aan te nemen dat deze gedraging appellante niet zou kunnen worden verweten.

LJN AY4950 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bed en bankstel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van duurzame gebruiksgoederen zoals een bed en een bankstel tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.

LJN AY4952 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over de periode in geding omdat het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld nu zij geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de vele kasopnames van en aanzienlijke stortingen op eigen rekening.

LJN AY4956 - Ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor de duur van één jaar. Daarbij heeft het college betrokkene de verplichting opgelegd om via haar huisarts psychologische hulp in te roepen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de keuringsarts daarvoor een toereikende grondslag vormen.

LJN AY4961 - Weigering bijzondere bijstand voor meerkosten van het door appellante gevolgde dieet. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit niet berust op een recent advies van de GGD. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de KWO-V-lijst dateert uit 1994, had naar het oordeel van de Raad nadere beoordeling en advisering ter zake van de meerkosten van het dieet moeten plaatsvinden alvorens dat besluit te nemen.

LJN AY4961 - Weigering bijzondere bijstand voor meerkosten van het door appellante gevolgde dieet. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit niet berust op een recent advies van de GGD. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de KWO-V-lijst dateert uit 1994, had naar het oordeel van de Raad nadere beoordeling en advisering ter zake van de meerkosten van het dieet moeten plaatsvinden alvorens dat besluit te nemen.

LJN AY4965 - Weigering bijstandsuitkering en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat overeenkomstig de conclusie van de adviseur geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen objectieve gegevens aangetroffen die de stellingen van appellant ondersteunen. Met name ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van de stelling dat sprake is van reële marktmogelijkheden die voldoende omzet zullen genereren.

LJN AY5118 - Oplegging van een maatregel van 20% gedurende één maand en vervolgens wegens recidive een maatregel van 20% gedurende twee maanden wegens het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheid voor arbeid of scholing. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van appellant te worden gerekend tot gedragingen van de tweede categorie, bedoeld in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, en niet - zoals door het college aangenomen - van de derde categorie.

LJN AY5138 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet feitelijk woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Door onder meer geen juiste opgave te doen van zijn woonadres heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

LJN AY5142 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellant door niet te melden aan het college dat hij op naam van zijn pleegzoon een internetsite exploiteert, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad geeft uitleg over de bevoegdheidsgrondslagen voor beëindiging/intrekking van bijstand en de te beoordelen periode. De stelling van appellant dat zijn pleegzoon de internetsite bijhoudt en exploiteert en dat hij slechts hand- en spandiensten verricht, acht de Raad niet geloofwaardig.

LJN AY5145 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit drugshandel. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of appellanten beschikten over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De Raad geeft uitleg over de bevoegdheidsgrondslagen voor beëindiging/intrekking van bijstand en de te beoordelen periode.

LJN AY5324 - Weigering bijstandsuitkering op de grond dat appellant niet op het door hem opgegeven adres woont, tengevolge waarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand. De Raad acht met name van belang dat bij het huisbezoek, toen appellant zelf de woning heeft laten zien, geen persoonlijke bezittingen of kleding van appellant in de woning zijn aangetroffen.

LJN AY5577 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet uiterlijk op de datum in geding de gevraagde gegevens omtrent zijn financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag heeft verstrekt. De Raad acht de verlenging van de termijn voor het indienen van gegevens niet bewezen.

LJN AY5579 - Weigering bijstandsuitkering omdat, zolang de woonsituatie van appellante onduidelijk blijft, haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Door diverse malen te weigeren de gevraagde informatie te verstekken, is appellante tekortgeschoten in de nakoming van de inlichtingenverplichting.

LJN AY5862 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet omdat de termijn voor indiening van een verzetschrift is overschreden. Het niet tijdig doorgeven van de juiste adresgegevens aan de Raad komt volledig voor rekening van appellante.

LJN AY6073 - Ongegrondverklaring verzet omdat appellante het griffierecht voor het hoger beroep niet-verschoonbaar niet tijdig heeft betaald. Appellante is erop gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht aan de bank voor haar rekening komt.

LJN AY6082 - Verlaging gemeentelijke toeslag met 15% van het nettominimumloon op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat in de woning van betrokkenen twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. De zoon en zijn vriendin die op het adres van betrokkenen een toercaravan bewonen, kunnen niet als zelfstandig wonend worden aangemerkt.

LJN AY6084 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat een spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter acht in hetgeen namens appellante ten aanzien van haar schulden is aangevoerd onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Van een financiële noodsituatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

LJN AY6126 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een opleiding bij de World Travel School omdat de opleiding niet noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling van appellante. De motivatie van appellante om deze opleiding te gaan volgen, is gelegen in de wens om "leuk" werk te verrichten. De Raad oordeelt dat van noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb hier geen sprake is.

LJN AY6150 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant beschikt over vermogen in de vorm van een levensverzekering met een afkoopwaarde van €114.772,36, waarmee de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden. In geding is de vraag of het college terecht de schulden aan appellants zoon niet op de waarde van appellants bezittingen in mindering heeft gebracht.

LJN AY6393 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand omdat appellant voorafgaand aan de bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan het behouden van arbeid in dienstbetrekking. Appellant heeft door geen inhoudelijk verweer te voeren in de ontbindingsprocedure door eigen toedoen zijn dienstbetrekking niet behouden en tevens heeft appellant blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door geen rechtsmiddel aan te wenden tegen de weigering van de WW-uitkering.

LJN AY6415 - Intrekking en terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening omdat appellant beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Appellant bezit veel meer onroerende zaken in Turkije dan hij aan het college heeft gemeld. Het recht op bijstand ten tijde in geding kan niet meer worden vastgesteld.

LJN AY6531 - Oplegging verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid gebaseerd op het advies van de GGD. De Raad oordeelt dat het college, bezien vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid, zijn besluitvorming op het GGD-advies heeft mogen baseren. De Raad ziet geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.

LJN AY7620 - Weigering bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van het Bbz 2004. De rapportage van IMK Intermediair is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, zodat het college zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op het IMK-advies. Appellant heeft geen contra-expertise doen verrichten en de grieven van appellant vinden geen ondersteuning in de beschikbare gegevens.

LJN AY9603 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene ten aanzien van het door haar opgegeven woonadres niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Het (summiere) verslag van het huisbezoek aan het gestelde woonadres wettigt op zichzelf niet de conclusie dat betrokkene ten tijde in geding daar niet haar woonadres had.

LJN AZ0787 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van vervanging van een bankstel en eettafel omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan. Met het college is de Raad van oordeel dat, gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek, de noodzaak tot vervanging van de eettafel en het bankstel niet aannemelijk is geworden.

LJN AZ1825 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting omtrent de woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over haar feitelijke verblijfplaats. Gelet op met name de bevindingen bij het afgelegde huisbezoek aan het door appellante opgegeven adres, waarbij de woning een langdurig onbewoonde indruk maakte, was er gerechtvaardigde twijfel of appellante ten tijde in geding op dat adres woonachtig was.

LJN AZ3422 - Weigering ontheffing van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Niet is gebleken dat appellante om medische of sociale redenen niet in staat is tot het verrichten van arbeid. De in beroep overgelegde informatie van de internist en de psychiater is niet in strijd met de bevindingen van de door de GGD en het re-integratiebedrijf geconsulteerde artsen. Ook de informatie van de huisarts leidt niet tot een andere zienswijze.

LJN AZ5263 - Weigering bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht omdat (20% van) de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Appellante wordt ten tijde in geding niet hulpbehoevend geacht in de zin van de Algemene bijstandsverordening van de gemeente.

LJN AZ6501 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending van de inlichtingenverplichting omdat appellant geen mededeling heeft gedaan van zijn werkzaamheden als zelfstandige en de daaruit ontvangen inkomsten. De rechtbank heeft één en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd.

LJN AZ9205 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek de gevraagde gegevens te verstrekken. Niet is gebleken dat appellant niet in staat was om het gevraagde bankafschrift tijdig in te leveren. De omstandigheid dat hij dit afschrift in het kader van de bezwaarprocedure alsnog heeft verstrekt, doet aan het voorgaande niet af, aangezien de hersteltermijn toen was verstreken en niet binnen de hersteltermijn om uitstel is verzocht.

LJN BA0850 - Toekenning bijstand in de vorm van een geldlening tot een bedrag van €56.790,-. Betrokkene heeft blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan omdat zij een bedrag van €67.000,-, dat zij op een op haar naam staande bankrekening heeft ontvangen, in een tijdsbestek van twee jaar heeft opgemaakt, terwijl zij daarnaast een bijstandsuitkering ontving. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de door betrokkene betaalde belasting.

LJN BA1924 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellante door een onjuiste opgave van haar woonadres te doen de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad heeft daarbij met name van betekenis geacht de bevindingen van het huisbezoek, waaruit blijkt dat appellante, hoewel zij naar eigen zeggen al ongeveer vier maanden op dat adres woonde, geen sleutel van de woning had en daar niet kon beschikken over een eigen kamer of matras.

LJN BA2874 - Weigering bijstandsuitkering omdat uit een door de politie ingesteld onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat appellant - onder meer - betrokken is geweest bij de handel in drugs en daarmee aanzienlijke hoeveelheden geld moet hebben verdiend. Door de betrokkenheid van appellant bij drugshandel slechts te ontkennen en geen objectieve en verifieerbare gegevens te verstrekken omtrent het daaruit verkregen inkomen en vermogen hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN BA4631 - Oplegging maatregel in de vorm van een weigering van de gehele bijstand voor de duur van één maand op de grond dat appellant zelf ontslag heeft genomen. De Raad is niet gebleken dat de omstandigheden van appellant of de mate van verwijtbaarheid het college aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel te mitigeren met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw.

LJN BA6873 - Weigering bijzondere bijstand in de kosten van nutsvoorzieningen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat aan appellant langdurig bijstand is verstrekt, kan op zichzelf niet gelden als bijzondere omstandigheid. Appellant had tijdig een verzoek om een betalingsregeling bij het energiebedrijf kunnen indienen.

LJN BA7639 - Weigering bijzondere bijstand voor dieetkosten en de kosten van alternatieve geneesmiddelen omdat er geen medische noodzaak aanwezig is voor het volgen van een dieet dan wel voor het gebruik van alternatieve geneesmiddelen.

LJN BA8367 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering alsmede boeteoplegging omdat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen omtrent zijn woon- en leefsituatie. Het bestreden besluit berust op onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering.

LJN BA9386 - Verlaging van de bijstand met 10% op de grond dat de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeltelijk kunnen worden gedeeld. Terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand. Anders dan appellant stelt, kan niet worden gesproken van een situatie waarin appellant en de medebewoner in die woning beschikten over zelfstandige woonruimte. Er was immers sprake van een gemeenschappelijke toegang tot de woning en van gezamenlijk gebruik van de bij die woning behorende keuken en sanitaire voorzieningen.

LJN BB0641 - Intrekking bijstandsuitkering van betrokkene en terugvordering van €58.425,65 aan onverschuldigd betaalde bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De bijstand wordt mede teruggevorderd van appellant, met wie betrokkene de gezamenlijke huishouding voerde.

LJN BB1829 - Toekenning bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek tot een bedrag van maximaal €91.955,41. Appellante is terecht de verplichting opgelegd mee te werken aan het vestigen van een hypotheek (krediethypotheek).

LJN BB3901 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellante niet is ingegaan op het aanbod om een overeenkomst voor algemeen geaccepteerde arbeid te ondertekenen. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

LJN BB5357 - Weigering bijstandsuitkering omdat (nog) geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. Beiden waren nog woonachtig in dezelfde woning en beiden stonden op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ook de situatie zoals die is aangetroffen bij het huisbezoek en hetgeen appellante bij die gelegenheid heeft verklaard, wezen er niet op dat appellante en haar ex-echtgenoot ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden.

LJN BB7267 - Intrekking gedurende de detentieperiode van de bijstandsuitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand. Appellant was door de strafrechter tot een gevangenisstraf veroordeeld en onderging ter uitvoering van die straf elektronisch gecontroleerd huisarrest in zijn woning. De Raad oordeelt dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb in het geval van appellant wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing dient te worden gelaten. Aan de intrekking en terugvordering van alle tijdens de elektronische detentie aan appellant verleende bijstand komt de grondslag te ontvallen.

LJN BB8306 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op basis van het belastingsignaal en de verkregen informatie van het uitzendbureau voldoende aannemelijk is geworden dat appellante in de periode in geding inkomsten uit arbeid heeft genoten via dat uitzendbureau.

LJN BB9367 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat het voor de Wwb in aanmerking te nemen vermogen van appellant ten tijde hier van belang de voor hem geldende vermogensgrens oversteeg. Ter uitvoering van de getroffen schikking ter zake van de beëindiging van zijn huurovereenkomst heeft appellant een bedrag van €15.000,- van de verhuurder ontvangen. Appellant heeft aangevoerd dat een deel van het aan hem door de verhuurder betaalde bedrag als vergoeding voor immateriële schade moet worden beschouwd en daarom niet als vermogen in de zin van de Wwb in aanmerking kan worden genomen.

LJN BB9625 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wwb kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, terwijl hij evenmin op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

LJN BC1813 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres, hetgeen wordt onderbouwd door de bevindingen van het huisbezoek en de verklaring van een voormalig bewoner. Hieruit volgt dat sprake was van schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

LJN BC2433 - Intrekking en terugvordering bijstandsuiktering omdat appellant over meer vermogen beschikt dan het vrij te laten vermogen en inkomsten heeft uit werkzaamheden als zelfstandige, waarvan hij geen melding heeft gemaakt. De Raad ziet onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand in de laatste periode in geding niet kan worden vastgesteld.

LJN BC3739 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot de productie van sambal en de daaruit verkregen inkomsten het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De door appellant overgelegde overzichten zijn niet als controleerbare en verifieerbare gegevens aan te merken.

LJN BC5885 - Weigering langdurigheidstoeslag op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij tijdens een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm, omdat haar bijstandsuitkering in de periode in geding onderbroken is geweest. Niet is gesteld of gebleken dat appellante niet (ook) in de periode waarin zij langer dan de voor haar gebruikelijke vakantieduur in het buitenland heeft verbleven, was aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Van enig inkomen in voornoemde periode is niet gebleken, zodat niet kan worden gesteld dat zij een inkomen heeft gehad dat hoger is dan de voor haar van toepassing zijnde norm.

LJN BC7175 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat de ontbindingsvergoeding ter zake van de beëindiging van de appellants arbeidsovereenkomst bestemd is om te voorzien in noodzakelijke kosten van bestaan. Met het oog op de nadere besluitvorming merkt de Raad op dat de ontbindingsvergoeding dient te worden toegerekend aan de periode vanaf de datum in geding en dat het aan het college is om te berekenen wat de duur is van de periode waarop de ontbindingsvergoeding geacht kan worden betrekking te hebben.

LJN BC8458 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van behandelingen van de chiropractor omdat de kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wwb. De Raad oordeelt dat in het geval van appellante geen sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening, zodat de medische noodzaak van de gevraagde kosten niet kan worden vastgesteld. Het advies van de GGD-arts is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en de gedingstukken bieden geen aanknopingspunten de conclusie van het advies voor onjuist te houden.

LJN BC9633 - Oplegging maatregel van 35% verlaging van bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant zonder opgave van een geldige reden onvoldoende heeft meegewerkt aan een afgesproken traject dat noodzakelijk is voor zijn re-integratie. Het enkele feit dat appellant van de bijstandsuitkering een gezin met twee jonge kinderen moet onderhouden, is niet voldoende voor het oordeel dat de verlaging niet voldoet aan het in de gemeentelijke verordening neergelegde afstemmingsvereiste.

LJN BD0858 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten bij aanvang van de bijstand hun vermogen uit erfenis hebben verzwegen, waardoor ten onrechte bijstand is verleend. Ten aanzien van de schulden is het feitelijk bestaan ervan niet aannemelijk gemaakt.

LJN BD2354 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat niet is voldaan aan het verzoek om binnen de hersteltermijn alle gevraagde gegevens te verstrekken, met name informatie over onroerend goed in Caïro. Niet is gebleken dat appellanten buiten staat waren de verlangde gegevens alsnog tijdig over te leggen.

LJN BD3393 - Weigering bijstandsuitkering aan een adresloze, waarbij is gewezen op de mogelijkheid tot het aanvragen van een reguliere bijstandsuitkering. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet kan worden beschouwd als een - zwervende - dakloze, omdat sprake is van beperkte huisvesting op een regulier adres, op welk adres inschrijving in de GBA niet mogelijk is vanwege het ontbreken van medewerking van de hoofdbewoner. Ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze is de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang.

LJN BD4678 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante, zonder daarvan melding te hebben gemaakt, in de perioden in geding een WW-uitkering heeft ontvangen en dat als gevolg daarvan over die perioden tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. De rechtbank heeft ten onrechte uitsluitend geoordeeld over de terugvordering.

LJN BD6261 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten beschikken over een vermogen uit erfenis, waardoor zij over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Totdat de erfenis is uitbetaald, wordt de bijstand verleend onder overdracht van eventueel te ontvangen vermogen uit erfenis. De aanspraak op een erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden van de erflater, zodat vanaf dat tijdstip terugvordering plaatsvindt.

LJN BD7455 - Voorlopigevoorzieningsprocedure, ingesteld door het college. Intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Een mogelijk financieel risico in de toekomst levert onvoldoende grond op om te oordelen dat er aan de kant van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde (voorlopige) voorziening.

LJN BD8764 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijft. Appellant is een drugs- en alcoholverslaafde die op verwijzing van zijn behandelend psychiater en met toestemming van zijn zorgverzekeraar in Schotland afkickt in een psychiatrisch ziekenhuis dat door het College voor zorgverzekeringen is toegelaten in het kader van de AWBZ. B&W hebben de bevoegdheid om van het territorialiteitsbeginsel af te wijken indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De Raad is van oordeel dat aan appellant na ommekomst van de gebruikelijke vakantieduur algemene bijstand dient te worden verleend naar de inrichtingsnorm zolang appellant op verwijzing van het behandelingsteam en met toestemming van zijn zorgverzekeraar in Schotland een behandeling ondergaat en ook overigens voldoet aan de voor hem geldende vereisten van de Wwb.

LJN BD9995 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering van betrokkene en medeterugvordering van appellante wegens het voeren van een verzwegen gezamenlijke huishouding. Uit de afgelegde verklaringen blijkt in toereikende mate van een wederzijdse zorg gedurende de in geding zijnde periode.

LJN BE8779 - Weigering bijzondere bijstand voor inrichtingskosten omdat appellante reeds zelf heeft voorzien in de inrichtingskosten. Dat appellante, zoals zij stelt, destijds geen weet had van de mogelijkheid om voor inrichtingskosten bijzondere bijstand te vragen, kan hier niet aan afdoen.

LJN BE9167 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen boven de vermogensgrens. Naar het oordeel van de Raad is met de overgelegde verklaringen, die algemeen van aard zijn en geen inzicht geven in de vraag welke gelden, wanneer, door wie en ten behoeve van welk doel zijn gestort, niet in genoegzame mate aangetoond dat de tegoeden van de op naam van appellant staande (verzwegen) bankrekeningen geen bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij de beschikking had.

LJN BF0097 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende zes maanden omdat betrokkene, door de afspraak met het re-integratiebedrijf af te zeggen, niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door appellant geboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, als gevolg waarvan die voorziening voortijdig is beëindigd. Gelet op de voorgeschiedenis heeft appellant de maatregel vastgesteld met toepassing van de afstemmingsbepaling neergelegd in de gemeentelijke Maatregelenverordening. In geding is de vraag of de verzwaring van de maatregel in overeenstemming is met de ernst van de gedraging.

LJN BF4560 - Terugvordering leenbijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat de lening wegens het faillissement van appellants ex-echtgenote geheel opeisbaar is geworden en appellant de uit deze lening voortvloeiende aflossingsverplichtingen, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet is nagekomen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Wwb geldt dat appellant en zijn ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldlening.

LJN BF7593 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand wegens ernstige belemmering van de re-integratie. Appellant heeft zich bij het kennismakingsgesprek bij de werkgever dusdanig negatief gedragen en ongemotiveerd opgesteld dat hij niet is aangenomen. Ook heeft hij geweigerd om op eigen kosten een mobiele telefoon aan te schaffen ten behoeve van telefonische bereikbaarheid voor het uitzendbureau.

LJN BG1568 - Weigering bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten omdat er geen medische noodzaak is voor verhuizing. Uit de medische adviezen, die naar het oordeel van de Raad op deugdelijke wijze tot stand zijn gekomen, kan worden afgeleid dat er geen causaal verband bestaat tussen de door appellante gestelde gezondheidsklachten en haar woonsituatie.

LJN BG4666 - Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding. Er zijn geen concrete en gerichte aanwijzingen dat betrokkene 2 in de woning van betrokkene 1 is blijven wonen. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, had het op de weg van appellant (het college) gelegen om bij de verklaringen van de buren meer tot in detail door te vragen.

LJN BG6934 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant geen hoofdverblijf meer had op het door hem opgegeven adres, noch op het volgende adres. Naar het oordeel van de Raad zijn er onvoldoende waarborgen dat het rapport van de sociale recherche, voor zover door appellant betwist, een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard. In dit kader hecht de Raad betekenis aan het feit dat appellant de verklaring zoals weergegeven in het rapport van meet af aan in de bezwaarprocedure heeft betwist.

LJN BG8896 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellante in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe zij in de periode voorafgaande aan haar aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Nu appellante om haar moverende redenen geen openheid van zaken heeft willen geven, heeft het college niet kunnen vaststellen of, en zo ja, in hoeverre appellante ten tijde als hier van belang bijstandbehoevend was. In het kader van de onderhavige aanvraag om bijstand dienen de gevolgen hiervan geheel voor rekening en risico van appellante te worden gelaten.

LJN BG9810 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres. Het rapport is niet opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte van een sociaal rechercheur, er is geen ter plekke gemaakt verslag, appellant was niet aanwezig bij het huisbezoek en is nadien niet geconfronteerd met de bevindingen van het huisbezoek.

LJN BH1272 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit autohandel en bezit van onroerend goed in Polen. Naar het oordeel van de Raad kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting de waarde van de woning gedurende de hier te beoordelen periode niet (meer) worden bepaald. Het college heeft terecht met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb de bijstand over de in geding zijnde periode ingetrokken en teruggevorderd.

LJN BH2321 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet verbleef op het door hem opgegeven woonadres. Er is voldoende feitelijke grondslag dat betrokkene op een ander adres woonachtig was dan hij heeft opgegeven. Niet over de gehele periode in geding was niet vast te stellen of betrokkene recht had op bijstand.

LJN BH4360 - Intrekking en brutoterugvordering bijstandsuitkering wegens een verkregen legaat van €37.299,-. In geval van terugvordering over een periode die voorafgaat aan het lopende kalenderjaar wordt door de gemeente steeds bruto teruggevorderd. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten nu daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om van brutering af te zien in - andere dan in de beleidsregel genoemde - gevallen dat de brutering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene.

LJN BH5797 - Weigering om terug te komen van eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluiten, omdat nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artijkel 4:6 van de Awb niet zijn komen vast te staan en evenmin sprake is van evidente onjuistheden. Appellant heeft verzocht om over de perioden in 1998, 1999 en 2000, waarin hij inkomsten lager dan de voor hem geldende bijstandsnorm heeft verworven, alsnog de inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 43 van de Abw toe te passen.

LJN BH7361 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres. De intrekking is uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. Zoals de Raad al herhaaldelijk heeft overwogen, levert dat enkele feit geen toereikende grond op voor herziening of intrekking van de bijstand. Daarvoor is immers vereist dat komt vast te staan dat als gevolg van een vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte - bijvoorbeeld omdat het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld - of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit blijven in stand.

LJN BI0362 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De omstandigheid dat zeer veel eerdere aanvragen van verzoeker om bijzondere bijstand op de door verzoeker aangegeven wijze zijn afgewikkeld en het feit dat hij de griffierechten uit zijn bijstandsuitkering heeft betaald, leveren geen grond op om te oordelen dat in de onderhavige procedure sprake is van onverwijlde spoed. De overige door verzoeker genoemde omstandigheden rechtvaardigen een dergelijk oordeel evenmin, omdat zij niet in verband staan met de kosten waarop de in dit geding aan de orde zijnde aanvragen om bijzondere bijstand zien. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.

LJN BI1715 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant niet voldoende heeft getracht zijn werk te behouden. De Raad is van oordeel dat het college, door bij de vaststelling van de toedracht van het incident uitsluitend af te gaan op door de uitlener verstrekte summiere informatie en na betwisting daarvan door appellant geen nadere informatie in te winnen bij de betreffende teamleider van de inlener, in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

LJN BI1923 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van de boekhouder omdat deze kosten niet behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant de aanvraag heeft ingediend nadat het bedrijf is beëindigd. Appellant is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist. De gang van zaken rondom de Wwb-aanvraag is niet goed verlopen, aangezien het gebruikelijk is om de aanvraag om bijstand af te handelen ook in een situatie waarin de jaarstukken nog niet (volledig) beschikbaar zijn omdat ze bij een boekhouder liggen.

LJN BI3037 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen werkzaamheden als zelfstandige. Het college heeft echter niet genoegzaam aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode reeds daadwerkelijk op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Een daarop gericht onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

LJN BI4256 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant geen rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehad krachtens een verblijfsvergunning of andere verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 en derhalve niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Dat appellant ten tijde hier van belang rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de voorlopige voorziening inzake de weigering van een verblijfsvergunning, leidt niet tot een ander oordeel. Dit verblijf berust op artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 en is blijkens de tekst van artikel 11, derde lid, van de Wwb geen grond voor gelijkstelling indien - zoals bij appellant - de eerste toelating hier te lande aan de orde is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

LJN BI6171 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens en over inkomsten uit criminele activiteiten, waarvan hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan. Appellant heeft wel op schulden gewezen, maar blijkens het verhandelde ter zitting gaat het daarbij om leningen die - wat er overigens van zij - pas na het stopzetten van de bijstand zijn aangegaan. Het college was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd het recht op bijstand in te trekken.

LJN BI8387 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellant het verzuim om het maandelijkse inlichtingenformulier in te leveren niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het college bij de afweging van de rechtstreeks bij het besluit tot intrekking betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de bijstand heeft kunnen overgaan.

LJN BI9939 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) bezit van onroerende zaken in Tunesië. Nu appellant in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de waarde en verhuuropbrengsten van deze onroerende zaken waren, kan naar het oordeel van de Raad niet vastgesteld worden of appellant in de periode hier in geding de beschikking had over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld.

LJN BJ0896 - Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Het verslag van het huisbezoek is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het is ook niet in het bijzijn van appellante in concept opgemaakt en toen door appellante ingezien en/of voor gezien getekend. Het is naderhand ten kantore van de betrokken ambtenaren opgemaakt en ook nadien niet aan appellante voorgelegd. Appellante heeft het verslag van aanvang af op onderdelen gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande staat niet vast dat de bewoordingen van het verslag een volledige en juiste weergave vormen van hetgeen is waargenomen en van hetgeen appellante heeft verklaard. Er bestond geen redelijke grond voor het afleggen van een (onaangekondigd) huisbezoek.

LJN BJ1984 - Oplegging maatregel omdat door toedoen van appellant het re-integratietraject voortijdig is beëindigd en appellant aldus niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De toegepaste (gemitigeerde) verlaging van 75% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden in verband met de gezinsomstandigheden is in overeenstemming met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden.

LJN BJ2799 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres. Anders dan het college en de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hoe appellant zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont.

LJN BJ5187 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting, zodat niet kan worden beoordeeld of, en zo ja, in welke mate bijstand moet worden verleend. Appellante heeft geen volledige en plausibele verklaring gegeven voor de stortingen op haar rekening en de adressering van post van een bedrijf op haar adres. De Raad acht de door appellante verstrekte gegevens, waaronder een in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring van de eigenaar van bedrijf, onvoldoende om toereikend inzicht te verkrijgen in haar financiële situatie ten tijde in geding. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat zij niet in staat is meer gegevens te verschaffen dan zij heeft gedaan omdat deze vooral de privacy van de eigenaar raken en zij daarvan onkundig is.

LJN BJ5993 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van werkzaamheden die hij heeft verricht in de autohandel. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat in november 1998, november 1999 en mei 2005 sprake was van autohandel. Dit brengt met zich dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellant over de maanden hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

LJN BJ9548 - Intrekking bijstanduitkering omdat betrokkene beschikt over een onbekende bron van middelen, bestaande uit spaargeld en inkomsten, waarvan hij nooit melding heeft gemaakt. Niet aangetoond is dat betrokkene toestemming tot binnentreding van zijn woning heeft gegeven op basis van "informed consent". Derhalve is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van betrokkene en dienen de tijdens het huisbezoek geconstateerde feiten en omstandigheden te worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, dat buiten beschouwing moet worden gelaten. De Beroepswet noch de Awb kennen het rechtsmiddel van incidenteel appel. Nu de grieven van betrokkene het in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan, moeten deze buiten bespreking blijven.

LJN BK0166 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit arbeid. De Raad is van oordeel dat niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten, aangezien de gegevens van de Belastingdienst en die van het UWV niet geheel met elkaar overeenstemmen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat deze verschillen nader zijn onderzocht. Ook heeft de gemachtigde van het college tijdens de behandeling ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Het had derhalve op de weg van het college gelegen een nader onderzoek in te stellen.

LJN BK0715 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat betrokkene door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet zonder nader medisch onderzoek kan worden gesteld dat betrokkene verwijtbaar arbeidsbelemmerend gedrag tentoon heeft gespreid. Het ligt op de weg van appellant om aan te tonen dat de ziekmelding van betrokkene, zoals appellant kennelijk meent, niet op enige medische grond berust.

LJN BK4389 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. De Raad acht aannemelijk dat appellante het betreffende bankafschrift reeds ten tijde van haar aanvraag heeft overgelegd. Dat het college toen nabestaandenpensioen 2 blijkbaar over het hoofd heeft gezien, doet er niet aan af dat appellante geacht moet worden haar recht op een tweede nabestaandenpensioen tijdig aan het college kenbaar te hebben gemaakt. Er is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting. Toepassing van de zesmaandenjurisprudentie met betrekking tot (netto)terugvordering.

LJN BK5664 - Weigering ontheffing van de sollicitatieplicht. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat het verzoek van appellante om van de sollicitatieplicht te worden ontheven uitsluitend is ingegeven door de wens om de opleiding tot verloskundige te (blijven) volgen, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een dringende reden als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wwb. Daarbij heeft het college naar het oordeel van de Raad terecht mede in aanmerking genomen dat deze opleiding voor appellante niet noodzakelijk is voor uitstroom naar de arbeidsmarkt en ook niet de kortste weg naar werk is.

LJN BK7006 - Intrekking en weigering bijstandsuitkering wegens weigering van een huisbezoek. De Raad is van oordeel dat appellante haar stelling dat zij de consequenties van haar weigering vanwege haar psychische problematiek en beperkte intellectuele vaardigheden niet kon overzien, mede vanwege het ontbreken van objectieve medische gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat is gebleken dat appellante na het intakegesprek opnieuw geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek.

LJN BK8326 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante niet woonachtig is op het opgegeven adres. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat appellante in de periode in geding niet woonde op het opgegeven adres. In het bijzonder sluiten deze bevindingen niet uit dat in die periode sprake is geweest van een situatie van inwoning. Wat de andere periode betreft, komt de Raad tot een ander oordeel. Daarbij acht de Raad van belang dat twee buren hebben verklaard dat de laatste drie weken niemand meer in de woning woonde.

LJN BK8581 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college van appellante meer gegevens kon verlangen gelet op het feit dat uit de overgelegde bankafschriften bleek dat er na de datum in geding bijschrijvingen in verband met kasstortingen op voorkwamen. Van appellante kon in ieder geval worden verwacht nadere gegevens over de herkomst van deze kasstortingen te geven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante niet over deze gegevens beschikte dan wel hierover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen.

LJN BL0053 - Toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting in de vorm van een geldlening tot een bedrag van €3000,-. Het college is bevoegd bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Daarbij is het college niet verplicht om uit te gaan van de NIBUD-normen. Ook de Raad acht het niet onredelijk, gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening, dat het college uitgaat van de goedkoopste passende voorzieningen en dat het college richtprijzen gebruikt die zijn afgeleid van en afgestemd op het winkelaanbod in appellants woonplaats. Er is geen grond voor het oordeel dat hantering bij de onderhavige aanvraag van de met ingang van de datum in geding geldende en nadien niet geïndexeerde richtprijzen in dit geval onredelijke of anderszins onaanvaardbare consequenties heeft gehad.

LJN BL1636 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering omdat de echtgenote van appellant heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat de echtgenote een concreet aanbod voor een functie is gedaan. Vernietiging van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

LJN BL3332 - Vaststelling netto-inkomen zelfstandige. Het college heeft terecht het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 als uitgangspunt genomen voor de berekening van het netto-inkomen. Dat appellante meer heeft afgelost op een in verband met de goodwill staande schuld aan de vorige eigenaar van het eetcafé dan het bedrag van de uit de jaarstukken 2005 blijkende afschrijving van de boekwaarde van de goodwill, betekent niet dat het meerdere in mindering moet worden gebracht op het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming in 2005. Het gaat hier niet zozeer om de vaststelling van het netto-inkomen uit de onderneming van appellante, maar veeleer de besteding van dat inkomen. Het Bbz 2004 en de Wet inkomstenbelasting 2001 hanteren niet hetzelfde begrip inkomen.

LJN BL5460 - Weigering bijzondere bijstand ter bekostging van het resterende bedrag van een nieuw gehoorapperaat omdat in verband met een aan de Wwb voorliggende voorziening in de vorm van een ziektekostenverzekering aan bijstandverlening in de weg staat. Voorts heeft het college geen zeer dringende redenen aanwezig geacht op grond waarvan appellante alsnog bijzondere bijstand kan worden verleend. Nu echter niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde en ondubbelzinnige toezegging van de zijde van het college dat voor kosten van de aanschaf van een nieuw gehoorapparaat telkens bijzondere bijstand zal worden verleend, kan appellante hieraan geen aanspraak ontlenen op bijstand ten behoeve van de kosten hier in geding.

LJN BL7304 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit onderverhuur. De bewijslast van de stelling dat appellant genoemde inkomsten uit onderverhuur heeft genoten rust niet op appellant, maar op het college. De verklaring van één persoon is daarvoor niet voldoende.

LJN BL9497 - Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant weigert informatie over verzwegen bankrekeningen te verstrekken. Appellant heeft geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de bankafschriften over de periode in geding alsnog over te leggen, zodat aan de hand daarvan het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

LJN BM1645 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het laten opmaken van de boekhouding over een periode gelegen vóór de algemenebijstandsaanvraag. De kosten van de boekhouder behoren weliswaar tot de noodzakelijke kosten nu deze kosten gemaakt moeten worden voor de beoordeling van het recht op bijstand, maar deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. De kosten van de boekhouder zijn voor een ondernemer algemeen noodzakelijke kosten; appellant had deze al moeten maken maar is hierin nalatig geweest.

LJN BM2555 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en langdurigheidstoeslag wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Met betrekking tot één periode in geding bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante ook in die periode werkzaamheden als prostituee heeft verricht en daarmee inkomsten heeft ontvangen.

LJN BM3576 - Weigering bijstand ingevolge het Bbz 2004 ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, omdat het door appellante te starten cafetaria niet levensvatbaar is te achten. De Raad is niet gebleken dat het advies van het adviesbureau op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Bij de totstandkoming van het advies was geen sprake van vooringenomenheid van de adviseur. Appellante is ermee akkoord gegaan dat het onderzoek is verricht door een andere adviseur dan degene die naar aanleiding van een eerdere aanvraag van appellante heeft geadviseerd.

LJN BM6746 - Herziening, intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens dat op verzwegen bankrekeningen stond met een totaalsaldo van €94.413,28. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de besparingen tijdens de bijstandsverlening zijn gerealiseerd. Zij heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij niet uit haar bijstandsuitkering heeft gespaard. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, noch is sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN BM7583 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant tijdens het huisbezoek weigerde inzage te verlenen in laden van een dressoir en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op de bevindingen van het huisbezoek en de inhoud van de door appellant tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring, niet uitgesloten moet worden geacht dat de persoonlijke papieren, de administratie en de post van een verzwegen medebewoner in de laden van het dressoir waren opgeborgen.

LJN BM9292 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten en vermogen boven de vermogensgrens. De besluitvorming berust op de overweging dat de gestorte bedragen in de maand van ontvangst als inkomsten over die maand dienen te worden aangemerkt en voor zover de bedragen hoger zijn dan de bijstand over die maand, het meerdere als vermogen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de op de bankrekening van appellante gestorte bedragen moeten worden gerekend tot de middelen waarover zij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gelden vanaf het moment van de opname buiten haar beschikkingsmacht zijn geraakt.

LJN BN1197 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante ten onrechte niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en dat haar partner inkomsten had. De financiële bijdragen van de voogdij-instelling waren bestemd voor (een deel van) de kosten van het bestaan van de partner. Gelet hierop zijn deze betalingen, op grond van artikel 32, derde lid, in samenhang met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb van belang voor het bepalen van de hoogte van de aan appellante te verstrekken bijstand.

LJN BN1408 - Terugvordering geldlening. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant na de intrekking van de algemene bijstand niet aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan en dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb de kosten van de aan appellant in de vorm van een geldlening verleende bijzondere bijstand van hem terug te vorderen. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering.

LJN BN3903 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat de bijstand van appellanten eerder is verlaagd wegens onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar appellantes mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Er is geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Van een dubbele bestraffing is geen sprake indien een aanvraag om langdurigheidstoeslag vanwege een eerder opgelegde verlaging wordt afgewezen.

LJN BN6112 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant zelf heeft aangegeven geen bijstand meer te willen ontvangen, ondanks herhaaldelijk advies van het college de bijstand niet te beëindigen. Appellants bezwaar was ook niet gericht tegen de intrekking van de bijstand als zodanig, maar tegen het niet voortzetten van de zijns inziens gegarandeerde aanstelling en opleiding in het kader van de Wiw. Anders dan appellant meent, stond het college bij zijn besluitvorming niet voor de keuze tussen bijstand of Wiw als bron van inkomsten. Het primaire besluit heeft uitsluitend betrekking - en behoefde ook slechts betrekking te hebben - op het verzoek om intrekking van de bijstand. In de daartegen gerichte procedure van bezwaar en (hoger) beroep zijn eventuele aanspraken van appellant op grond van de Wiw of daarmee vergelijkbare wettelijke regelingen niet aan de orde.

LJN BN7968 - Terugvordering van bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Ter uitvoering van twee uitspraken van de Raad heeft het UWV aan appellant de door hem betaalde griffierechten vergoed. Het college is bevoegd de verstrekte bijzondere bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, onder 2º, van de Wwb van appellant terug te vorderen. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering moet afzien.

LJN BN9423 - Intrekking bijstandsuitkering omdat betrokkene geen juiste mededeling heeft gedaan van zijn daadwerkelijke woon- en/of verblijfplaats. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat betrokkene vanaf de datum in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres. De Raad kent daarbij in de eerste plaats betekenis toe aan het uit het onderzoek gebleken waterverbruik op het adres van betrokkene. Betrokkene heeft in het geheel niet gereageerd op diverse uitnodigingen van de sociale recherche.

LJN BO0479 - Weigering langdurigheidstoeslag. Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen in de referteperiode dient naar vaste rechtspraak (o.a. LJN AY0262) als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen. In dit geval is aanleiding om, in afwijking van deze hoofdregel, voor het inkomen van betrokkene uit te gaan van de door haar ontvangen WAO-uitkering zonder daarbij de door het UWV ingetrokken en teruggevorderde toeslag te betrekken. Betrokkene heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde inkomenseis.

LJN BO1327 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant ten tijde hier van belang op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De aanwezigheid van een belanghebbende tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek in een bedrijf rechtvaardigt naar vaste rechtspraak van de Raad de vooronderstelling dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Het kon aan appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat de door hem in het bedrijf verrichte werkzaamheden van belang konden zijn voor het recht op bijstand.

LJN BO3431 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen boven de vermogensgrens. Appellant heeft gesteld dat het geld op de betreffende bankrekening van zijn broer was en dat die broer, die in dezelfde woning woont als appellant, de beheerder was van die bankrekening, zodat appellant niet kon beschikken over de daarop staande tegoeden. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de tegoeden op zijn bankrekening geen onderdeel vormden van zijn vermogen.

LJN BO5680 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres en hij onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Naar het oordeel van de Raad bestond in dit geval geen redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellant. Daarmee is inbreuk op het huisrecht gemaakt en is het huisbezoek onrechtmatig. De bevindingen van het huisbezoek mogen niet worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand.

LJN BO8241 - Vaststelling ingangsdatum bijstandsuitkering. De Raad is van oordeel dat uit de door betrokkene overgelegde medische verklaringen kan worden afgeleid dat de psychische toestand van betrokkene van dien aard was dat hij het niet kon opbrengen om zelf een aanvraag te doen, dan wel om daarvoor een beroep te doen op derden. Het college heeft daar, in weerwil van de duidelijke inhoud van die verklaringen, om hem moverende redenen geen medische contra-expertise tegenovergesteld, zodat de Raad het ervoor moet houden dat deze verklaringen de psychische toestand van betrokkene ten tijde in geding juist en volledig weergeven. De Raad vindt in de stelling van het college dat uit de giroafschriften blijkt dat betrokkene feitelijk activiteiten heeft verricht, onvoldoende grond voor een ander oordeel. Hij wijst er in dit verband op dat betrokkene ter zitting van de Raad gemotiveerd heeft uiteengezet dat tegenover de bijschrijvingen op deze afschriften ten tijde in geding geen activiteiten hebben gestaan.

LJN BO9899 - Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een babyfoon, een autostoeltje en geboortekaartjes omdat deze kosten niet als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt. Voor de overige kosten van de babyuitzet is bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van €155,-. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanschaf van een autostoeltje en een babyfoon noodzakelijk waren. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat appellante met het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand van €75,- destijds een deugdelijke duowagen heeft kunnen aanschaffen. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

LJN BP0586 - Weigering toestemming voor het volgen van een opleiding tot schilder met behoud van zijn uitkering omdat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is voor appellant om als schilder aan het werk te komen.

LJN BP2290 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling omdat de Zorgverzekeringswet in beginsel als een aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorziening wordt beschouwd.

LJN BP3308 - Intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens. De waarde van de Mercedes Benz samen met het bij de aanvang van de bijstandverlening vastgestelde vermogen was hoger dan het in het geval van appellant van toepassing zijnde bedrag van het vrij te laten vermogen. Van de tenaamstelling van de auto heeft appellant geen melding gemaakt aan het college.

LJN BP4769 - Weigering kwijtschelding van de openstaande vordering ter hoogte van €7113,15. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van het college. Er is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in de door het college gevolgde vaste gedragslijn of van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken. Niet is gebleken van onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de verdere terugvordering voor appellant.

LJN BP7240 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag. Gelet op de aard van de gegevens die nog moesten worden verstrekt, is de Raad van oordeel dat de aanvankelijk geboden hersteltermijn van ongeveer tien dagen op zichzelf kort te noemen is, maar dat de in totaliteit geboden termijn niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Appellant heeft het geconstateerde verzuim verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn hersteld. Het college was derhalve bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.

LJN BP8093 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres heeft gehad. Appellante heeft haar stelling dat zij in de te beoordelen periode hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Met name het uitzonderlijk lage waterverbruik in de woning en het ontbreken van een genoegzame verklaring daarvoor ondersteunen de conclusie dat appellante ten tijde hier in geding niet feitelijk haar hoofdverblijf in de woning heeft gehad.

LJN BP9870 - Buitenbehandelingstelling aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoerder. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen, maar inhoudelijk op deze aanvraag had moeten en kunnen beslissen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college van betrokkene een bewijsstuk heeft gevraagd dat ten tijde van de primaire besluitvorming niet aanwezig was, waarover betrokkene niet de beschikking had en dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

LJN BQ1006 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een advocaat omdat voor de kosten van rechtsbijstand de Wet op de rechtsbijstand dient te worden beschouwd als een aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorziening. De kosten hebben betrekking op het indienen van een aanvraag in het kader van de WSNP. Een aanvraag om toepassing van een schuldsaneringsregeling als bedoeld in de WSNP moet worden bestempeld als het treffen van een afbetalingsregeling in de zin van artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat gemeenten - en namens hen de gemeentelijke kredietbanken - op grond van de WSNP bij het doen van een aanvraag hulp dienen te verlenen.

LJN BQ2870 - Weigering hogere gemeentelijke toeslag op de bijstandsuitkering omdat appellant als dak- of thuisloze lagere woonlasten heeft. Er zijn geen concrete, bijzondere feiten en omstandigheden omtrent de verblijfsituatie naar voren gebracht op grond waarvan het college nader onderzoek had moeten verrichten dan wel op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wwb gehouden was een hogere toeslag te verlenen.

LJN BQ4446 - Weigering verlenging bijstand ingevolge het Bbz 2004 omdat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Het enkele feit dat IMK Intermediair reeds eerder een negatief advies heeft uitgebracht, brengt niet met zich dat IMK Intermediair in het advies daarna blijk heeft gegeven van vooringenomenheid ter zake van onder meer de levensvatbaarheid van het door appellant gestarte bedrijf.

LJN BQ7576 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante geen volledige opgave heeft gedaan van haar inkomsten uit prostitutie. Er is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Omdat de door appellante opgegeven inkomsten relatief laag waren gelet op de met haar werkzaamheden samenhangende onkosten (reiskosten en kamerhuur), heeft het college naar het oordeel van de Raad in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek. Het in hoger beroep door appellante ingenomen standpunt dat het gebruik van de resultaten van het onderzoek in strijd is met de principes van artikel 6 van het EVRM, waaronder "due process", deelt de Raad niet.

LJN BQ8523 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid als huishoudelijke hulp. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Het ontbreken van de gegevens omtrent de omvang van de werkzaamheden en de inkomsten komt voor risico van appellante. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN BR0109 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant door geen melding te maken van de tenaamstelling van autokentekens de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan over de maanden waarin de autotransacties hebben plaatsgevonden het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het merendeel van de kentekens op zijn naam zijn gesteld bij wijze van wederdienst voor de hulp die zijn vriend tijdens en na de oorlog in Bosnië aan de ouders van appellant heeft geboden.

LJN BR1227 - Herziening bijstandsuitkering en terugvordering van €134.410,08 onverschuldigd betaalde bijstand wegens (verzwegen) vermogen in de vorm van onroerend goed in Turkije. Omdat van het bezit van het onroerend goed geen mededeling is gedaan aan het college, kan het recht op bijstand over de periode in geding niet worden vastgesteld. Appellanten hebben geen concrete inhoudelijke bezwaren tegen de taxatie ingebracht, noch wat de wijze van totstandkoming betreft, noch wat betreft de daarbij gehanteerde uitgangspunten en maatstaven.

LJN BR2509 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bril voor appellants echtgenote omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van de collectieve ziektekostenverzekering, die als een voorliggende voorziening wordt aangemerkt. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat onder andere met een brief in november 2007 informatie is verschaft over de collectieve ziektekostenverzekering en de beleidswijziging met ingang van 1 januari 2008.

LJN BR3079 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellanten, blijkens een afgelegd huisbezoek, niet op het opgegeven adres wonen. Niet staat vast dat appellanten een onjuiste opgave hebben gedaan van hun woonadres. De gerezen twijfel had voor het college aanleiding behoren te zijn om nader onderzoek te doen, door ten minste appellanten in de gelegenheid te stellen om op de bevindingen bij het huisbezoek te reageren en zo nodig nog een huisbezoek af te leggen.

LJN BR4030 - Ontheffing van de arbeidsverplichting. Anders dan de rechtbank volgt de Raad het college niet wat betreft het opleggen van de volledige arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Naar het oordeel van de Raad komt uit de medische en arbeidskundige adviezen naar voren dat appellant niet te verwaarlozen psychische klachten heeft en dat zijn arbeidsmarktkansen zonder intensieve begeleiding beperkt zijn. Daarnaast heeft het college het kennelijk ook zelf nodig geacht dat appellant eerst een voorzieningstraject volgde om hem beter toe te rusten voor de reguliere arbeidsmarkt. Gelet hierop had het college aan appellant ten tijde in geding nog niet de volledige arbeidsverplichting kunnen opleggen en had het appellant tijdelijk van die verplichting dienen te ontheffen.

LJN BR5765 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) op geld waardeerbare werkzaamheden bij een seksinrichting en ontvangen betalingen van de ouders zonder daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Omdat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

LJN BR6612 - Vaststelling ingangsdatum bijstandsuitkering. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, hetgeen hier niet het geval is.

LJN BS1134 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante activiteiten heeft verricht in verband met de paardensport, waaronder het maken en verkopen van hindernissen voor pony’s, en daaruit inkomsten heeft verworven zonder daarvan melding te maken.

LJN BT2514 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter heeft verzoeker erop gewezen dat hij het college in het kader van de nieuwe bijstandsaanvraag om een voorschot kan verzoeken en zich, indien het college geen of ontoereikende toepassing geeft aan artikel 52 van de Wwb, op grond van artikel 81 van de Wwb tot de voorzitter van gedeputeerde staten kan wenden. Bovendien staan tegen de (eventuele) afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag rechtsmiddelen open, waaronder een - bij de voorzieningenrechter van de rechtbank in te dienen - verzoek om een voorlopige voorziening.

LJN BT7347 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad ziet geen aanknopingspunten in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante en haar medebewoner ten tijde in geding in een situatie verkeerden die duidt op een zodanige verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar dat de grenzen van een zuiver commerciële huur- dan wel kostgangersrelatie worden overschreden.

LJN BT8393 - Oplegging maatregel van 50% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant in de periode in geding geen informatie heeft verstrekt over de ontvangst van de AOW-uitkering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij driemaal aan een medewerker van de gemeente heeft doorgegeven dat hij een AOW-uitkering ontving. Het is zeer onwaarschijnlijk dat tot driemaal toe een formulier zou zoekraken.

LJN BU1947 - Weigering voorbereidingskrediet omdat appellant geen algemene bijstand ontvangt en daarom niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz. De Raad is van oordeel dat de weigering van het voorbereidingskrediet op de grond dat appellant geen algemene bijstand ontvangt in de gegeven omstandigheden niet tot effect heeft dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene met haar uitkeringen beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant en haarzelf.

LJN BU3274 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellanten in de referteperiode een maatregel is opgelegd in verband met verwijtbaar verlies van arbeidsinkomsten. Het door appellante ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is immers gericht tegen de aangevallen uitspraak in een geding waarbij appellante geen partij was, terwijl evenmin is aangevoerd dat de rechtbank appellante ten onrechte niet als partij in het geding in eerste aanleg heeft betrokken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan had moeten worden afgeweken van de gemeentelijke beleidsregel. De wettelijke systematiek voorziet niet in een separate beoordeling van aanspraken op een langdurigheidstoeslag van gehuwden of daarmee gelijkgestelden.

LJN BU4699 - Weigering bijstandsuitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat de woon- en leefsituatie niet overeenkomt met de opgave van appellant. Gebleken is dat hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn verre neef. Gelet op het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wwb neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden was het college niet gehouden een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellant. Er is hier geen sprake van beleidsvrijheid van het college.

LJN BU6756 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding, al dan niet met onderbrekingen, niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres en daarvan verzuimd heeft aan het college opgave te doen. De onderzoeksresultaten en het rapport van de sociale recherche bieden onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de periode in geding niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres.

LJN BU8337 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand wegens het verwijtbaar niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij de beoordeling of appellant de onderhavige verplichting verwijtbaar niet is nagekomen, dienen de uit zijn geloofsovertuiging voortkomende zwaarwegende bezwaren tegen bepaalde arbeid te worden gerespecteerd. Er is echter geen reden om aan te nemen dat het voor appellant op onoverkomelijke bezwaren zou stuiten als de werkzaamheden zodanig waren georganiseerd dat hij niet direct met varkensvlees in aanraking zou komen, bijvoorbeeld doordat hij uitsluitend zou worden belast met toezicht op de afhandeling van bestellingen van supermarkten. Door deze opstelling heeft appellant geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om arbeid te verkrijgen die ook voor hem acceptabel was.

LJN BU9969 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de Wwb is aangeboden of die, gezien haar aard en doel, met een Wwb-voorziening is gelijk te stellen. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat haar niet kan worden verweten dat zij heeft geweigerd mee te werken aan een voorziening omdat haar partner om medische redenen niet de zorg voor de kinderen kon dragen. Appellante heeft deze stelling immers niet nader onderbouwd.

LJN BV0124 - Weigering Bbz-uitkering omdat het bedrijf van appellanten niet levensvatbaar wordt geacht. De op zichzelf juiste constatering dat het door het college ingeschakelde adviesbureau geen specifieke kennis heeft van de branche van appellant doet geen afbreuk aan de deskundigheid van dat adviesbureau op het terrein van het verrichten van bedrijfseconomische analyses van bedrijven. Het bestreden besluit is zorgvuldig voorbereid. Appellanten hebben geen objectieve gegevens overgelegd die hun stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf kunnen onderbouwen.

LJN BV0947 - Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen vermogen en oncontroleerbare inkomsten. Er bestaan geen aanwijzingen dat appellante na augustus 2007, de maand waarin de laatste stortingen hebben plaatsgevonden, oncontroleerbare inkomsten heeft ontvangen. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand vanaf 1 september 2007 ten onrechte is gebaseerd op verzwegen vermogen en oncontroleerbare inkomsten. De Raad ziet in dit geval, nu nog slechts een nieuw te maken berekening van het terug te vorderen bedrag resteert ten aanzien van de in deze uitspraak duidelijk gemarkeerde periode (de periode van 23 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007) en daarover naar verwachting geen discussie zal kunnen ontstaan, af van toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus om te komen tot finale beslechting van het geschil.

LJN BV1989 - Proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgsproken. De raadsman is advocaat en neef van appellant. In dit geval is geen sprake van een zodanig nauwe familierelatie dat niet meer gesproken kan worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp op zakelijke basis. In dat verband is mede van belang dat de raadsman advocaat is en in die hoedanigheid namens appellante beroep heeft ingesteld en dat die raadsman niet behoort tot het huishouden van appellante. Er is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat het hoger beroep slaagt.

LJN BV6373 - Toekenning bijzondere bijstand. Appellante kan uitsluitend aanspraak maken op vergoeding van kosten die in het kader van de opleiding noodzakelijk zijn. Appellante mocht er niet van uitgaan, ook al was in het toekenningsbesluit geen maximumbedrag van te vergoeden kosten genoemd, dat de kosten van de aanschaf van een pedicuremotor zonder meer door het college zouden worden vergoed. Voor het aannemen van de door appellante gestelde strijd met het vereiste van zorgvuldigheid of rechtszekerheid bestaat geen grondslag. Er is geen grond is om de toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van €1400,- voor onjuist te houden.

LJN BV7186 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het verzoek tot ondervolmachtstelling en voor de kosten van de volmacht over 2008 omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich voordoen.

LJN BV7961 - Weigering bijzondere bijstand voor inrichtingskosten omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat de inrichtingskosten niet uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Het door het college gevoerde beleid is op consistente wijze toegepast. De situatie van appellante kan niet worden gelijkgesteld met de doelgroep daklozen die opnieuw een woning betrekken. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen zeer dringende redenen opleveren die noodzaken tot verlening van bijzondere bijstand in afwijking van het beleid.

LJN BV8662 - Terugvordering Bbz-uitkering voor levensonderhoud omdat appellant niet de gevraagde gegevens, ondanks herhaalde aanmaningen, aan het college heeft verstrekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant heeft niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging van de zijde van het college dat hij de gevraagde gegevens niet (meer) hoefde te verstrekken.

LJN BW0062 - Terugvordering Bbz-uitkering. De hoogte van het in het bestreden besluit genoemde bedrag is juist. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 40 van het Bbz 2004 is in dit geval voldaan omdat appellant, ook na daartoe ten minste twee keer te zijn aangemaand, niet heeft voldaan aan de rente- en aflossingsverplichtingen uit hoofde van de hem verstrekte geldleningen. Het college was gehouden het in het terugvorderingsbesluit genoemde bedrag van appellant terug te vorderen. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

LJN BW0077 - Herziening verleende bijstand met terugwerkende kracht in een uitkering voor een gevestigde zelfstandige omdat het bedrijf van appellant, ondanks eerdere verwachtingen, toch levensvatbaar blijkt te zijn. Omzetting van de verstrekte bijstand in bijstand om niet. In het Bbz 2004 is geen grondslag te vinden voor een hoorplicht voorafgaande aan het primaire besluit. Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij bij de omzetting van de leenbijstand in bijstand om niet gevrijwaard had moeten blijven van - mogelijk nadelige - fiscale consequenties daarvan, slaagt dat betoog niet, omdat het Bbz 2004 voor een dergelijke vrijwaring geen grondslag biedt.

LJN BW0627 - Intrekking verleende toestemming voor een voorbereidingsperiode omdat appellant niet meer is aan te merken als een persoon die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004. Dit brengt met zich dat appellant met het hier voorliggende hoger beroep niet kan bereiken dat hij alsnog wordt toegelaten tot de voorbereidingsperiode als bedoeld in dat artikellid. Het hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

LJN BW2903 - Toekenning bijstand naar de norm van een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 12% van de echtparennorm. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat sprake is geweest van woningdeling en dat appellante de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft gedeeld met een medebewoner. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke feitelijke grondslag. De Raad herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan appellante een toeslag van 20% wordt verleend, omdat zij als niet-woningdelende alleenstaande aangemerkt dient te worden.

LJN BW4481 - Vaststelling vermogen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over het banksaldo kon beschikken, zodat evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van het gemeentelijke beleid was voldaan. Dat appellant kennelijk nadien ertoe is overgegaan alsnog een deel op een depositorekening te storten, doet daar niet aan af, te minder nu de looptijd van die deposito-overeenkomst twaalf maanden bedroeg en volgens zeggen van appellant sedertdien steeds voor eenzelfde termijn wordt verlengd. Ook daarmee werd immers niet aan de gestelde bestedingswaarborg voldaan. Door aan appellant ondanks een vermogensoverschot (en fictieve intering daarvan) bijstand toe te kennen over de periode in geding heeft het college hem derhalve niet tekortgedaan.

LJN BW5347 - Tussenuitspraak. Weigering Bbz-lening voor bedrijfskapitaal omdat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant de deskundigheid van de financieel-economisch adviseur nader dient te onderbouwen, hetgeen leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraken. Appellant heeft zonder inhoudelijk in te gaan op de door betrokkene betwiste specifieke aspecten in het bestreden besluit slechts verwezen naar een deskundigenadvies, waarbij appellant bovendien niet duidelijk heeft gemaakt welk advies wordt bedoeld. Inhoudelijk heeft hij de bezwaren van betrokkene dus niet weerlegd. Hiermee heeft appellant het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Appellant krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

LJN BW6192 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante niet heeft gemeld dat zij beschikt over een woning in Marokko waarvan de waarde het vrij te laten vermogen overschrijdt.

LJN BW7029 - Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan omdat het door het college ingeschakelde adviesbureau heeft geconcludeerd dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. Het college heeft zich bij zijn besluitvorming op dit advies kunnen baseren.

LJN BW7772 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres, maar bij zijn vriendin in België woont. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de beoordelingsperiode niet zijn woonplaats in de gemeente had. Er is onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant niet in staat is geweest om naar waarheid over zijn dagelijkse woonsituatie te verklaren en daarover vragen te beantwoorden. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en de onderzoeksresultaten niet bruikbaar zouden zijn.

LJN BW9691 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd. Appellant heeft verwijtbaar nagelaten de gevraagde gegevens tijdig te overleggen en er is geen aanleiding voor het college de vader van appellant ten tijde van de aanvraag als gemachtigde van appellant aan te merken.

LJN BX1270 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Doorslaggevende betekenis komt toe aan de bevindingen van het afgelegde huisbezoek op het uitkeringsadres en de verklaringen die appellante daarbij en nadien heeft afgelegd.

LJN BX3182 - Weigering Bbz-uitkering omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het besluit op een eerdere aanvraag. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn bedrijf ten tijde hier van belang wel als levensvatbaar moet worden aangemerkt.

LJN BX4550 - Intrekking en terugvordering extra gemeentelijke toeslag van 10% omdat appellante geen co-ouder is en zij onjuiste informatie heeft verstrekt over het verblijf van het jongste kind in haar woning. Daarnaast is appellante een maatregel opgelegd van 10% verlaging van de bijstandsuiktering gedurende één maand. Het moet appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de omstandigheid dat haar jongste kind niet bij haar verbleef van belang kon zijn voor het recht op bijstand.

LJN BX6204 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van vervanging van de vloerbedekking door zeil. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat deze kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is te laat gedaan.

LJN BX8181 - Tussenuitspraak. Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand. De overeenkomst met de werkgever worden moet gekwalificeerd als gesubsidieerde arbeid, onmiskenbaar bedoeld om appellant te ondersteunen en te begeleiden bij zijn arbeidsinschakeling met als uiteindelijk doel het verwerven van reguliere arbeid, waarbij geen gebruikgemaakt van een voorziening. Een dergelijke werkervaringsplaats bij de werkgever kan niet als algemeen geaccepteerde arbeid worden beschouwd, maar dient te worden aangemerkt als een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. De opgelegde maatregel kan daarom niet zijn grondslag vinden in de gedraging dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De Raad draagt het dagelijks bestuur op om het gebrek te herstellen.

LJN BX9936 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Betrokkene had vanaf de datum in geding onveranderd haar hoofdverblijf in de woning van haar partner en vader van haar kinderen. Dat betrokkene als gevolg van de relationele problemen geregeld bij vriendinnen heeft verbleven en zij mogelijkerwijs in eerste instantie de intentie had om de haar toegewezen woning te betrekken, betekent niet dat zij op een ander adres haar hoofdverblijf had. Nu betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting appellant niet ervan in kennis heeft gesteld dat zij ongewijzigd haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner, was daarom sprake van een gezamenlijke huishouding.

LJN BY1390 - Oplegging maatregel van 50% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden omdat appellant heeft geweigerd deel te nemen aan een re-integratietraject. Het is aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening aangewezen is om het uiteindelijk beoogde doel van arbeidsinschakeling te bereiken. Er is voldaan aan de vereisten van op de persoon toegesneden maatwerk en afweging. Door medewerking aan de voorziening te weigeren, heeft appellant niet voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

LJN BY2358 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. De gevraagde stukken zijn van belang om duidelijkheid te verkrijgen over het vermogen van appellante en dus ook voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was de gevraagde documenten vóór de datum in geding te overleggen dan wel vóór die datum om - verder - uitstel te verzoeken.

LJN BY3669 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) vermogen in de vorm van onroerend goed (bouwgrond) in Turkije met een waarde boven het vrij te laten vermogen. Het college heeft in de verklaring van de Turkse gemeente geen aanleiding hoeven vinden om de taxatiewaarde van de bouwgrond vermeld in het rapport van de ambassade voor onjuist te houden.

LJN BY5186 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woon- en leefsituatie, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

LJN BY6011 - Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat appellante niet in zodanige omstandigheden verkeert dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

LJN BY6785 - Weigering laagdrempelige bijzondere bijstand omdat betrokkenen niet voldoen aan de voorwaarde dat zij gedurende twee jaar vóór de datum van de aanvraag een netto-inkomen exclusief vakantietoeslag hebben gehad van maximaal 110% van de voor hen van toepassing zijnde nettobijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Met het college en anders dan betrokkenen en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inachtneming van het beleid niet tot een uitkomst leidt die niet strookt met een redelijke wetsuitleg. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN BY8631 - Weigering bijzondere bijstand voor appellantes aandeel in de kosten van de uitvaart van haar zus. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit haar aandeel in de nalatenschap van haar zus inmiddels had verworpen. Dit betekent dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zien op noodzakelijke kosten. Het betreft immers geen kosten van appellante zelf en deze kosten moeten geacht worden nooit voor haar rekening te zijn gekomen omdat zij geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest. Het beroep op dringende redenen kan niet slagen.

LJN BY9856 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een caravan en voor de kosten van aanschaf van een bedrijfs- en privéauto. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Appellant heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat hij moet worden aangemerkt als een in de prefase verkerende startende ondernemer. Het verzoek van het college om appellant wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de door het dagelijks bestuur in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten wordt afgewezen.

LJN BZ1552 - Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat het bedrijf van appellanten niet levensvatbaar is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het advies van IMK Intermediair op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Appellanten hebben geen objectieve gegevens overgelegd die hun standpunt ondersteunen dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

LJN BZ3247 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2009 en 2010. Het verplicht eigen risico voor de Zorgverzekeringswet geldt voor alle zorgverzekerden. Alle zorgverzekerden kunnen daarmee dus te maken krijgen. Dat appellanten vanwege hun medische omstandigheden de kosten van het eigen risico telkens volledig moeten dragen en andere zorgverzekerden mogelijk niet, maakt dat niet anders.

LJN BZ4841 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Appellante heeft diverse malen geld op rekeningen van personen in het buitenland gestort. Ten tijde van het overmaken van de gelden in maart 2009, september 2009 en januari 2010 beschikte appellante of kon appellante redelijkerwijs beschikken over die gelden. Het gaat om feiten of omstandigheden waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

LJN BZ6624 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant door niet mee te werken aan het aangekondigde huisbezoek niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting zoals neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de Wwb, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de concrete feiten en omstandigheden bestond er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De verlangde informatie kon niet op een andere effectievere en voor appellant minder ingrijpende wijze worden geverifieerd.

LJN BZ9162 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats in de gemeente had. Hij heeft op geen enkele wijze concrete informatie verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats. Niet valt in te zien dat hij hiertoe niet in staat was. Het enige bekende adresgegeven van appellant betreft een postadres in een naburige gemeente. Onder deze omstandigheden bestond in dit opzicht geen recht op bijstand jegens het college.

LJN CA0554 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk verblijft in de gemeente. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevergd dat hij, voordat hij in aanmerking kan komen voor bijstand, controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Appellant heeft dat niet gedaan.

LJN CA1511 - Weigering om appellant in aanmerking te brengen voor de voorbereidingsperiode op grond van het Bbz 2004. Gelet op de bevindingen van twee adviesbedrijven zullen de plannen van appellant naar verwachting niet leiden tot vestiging van een levensvatbaar bedrijf.

LJN CA2364 - Ingangsdatum aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Appellant heeft niet met bewijsstukken aan de SVB aannemelijk gemaakt dat hij door het auto-ongeluk vóór de datum in geding buiten staat was zich te melden om een AIO-aanvulling aan te vragen. Onbekendheid met wettelijke regelingen kan geen reden zijn om tot toekenning met terugwerkende kracht over te gaan. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN CA4026 - Gemeenten krijgen niet meer geld voor de uitvoering van de Wwb. De Raad stelt vast dat de Grondwet hem verbiedt te beoordelen of de door de wetgever vastgestelde begrotingswet - een wet in formele zin - in strijd is met de Wwb. Ook vindt de Raad niet dat die begrotingswet in strijd is met de Europese regels.

ECLI:NL:CRVB:2013:707 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten geen afdoende verklaring hebben gegeven voor de herkomst van stortingen op eigen rekeningen. Appellanten hebben daarmee de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de betreffende maanden niet worden vastgesteld.

ECLI:NL:CRVB:2013:797 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een en/of-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd.

ECLI:NL:CRVB:2013:908 - Weigering Bbz-uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal omdat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Niet is gebleken dat het advies van IMK Intermediair op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of feitelijke onjuistheden bevat. Dat appellante het gevoel heeft dat er niet naar haar is geluisterd, vormt op zichzelf bezien geen grond voor het oordeel dat voornoemd advies ondeugdelijk is. Appellante heeft in beroep geen objectieve gegevens overgelegd, zoals een deskundig tegenadvies, welke haar standpunt dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf kunnen onderbouwen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1105 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontvangen studiefinanciering. Aangezien appellant gedurende de hier te beoordelen periode feitelijk studiefinanciering op grond van de WSF 2000 ontving, beschikte hij als aanvrager daarvan over voldoende middelen van bestaan. De omstandigheid dat appellant over de te beoordelen periode ten onrechte studiefinanciering heeft ontvangen en dit bedrag moet terugbetalen, doet niet aan af aan het feit dat appellant gedurende de te beoordelen periode feitelijk over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Daarom had hij in de te beoordelen periode geen recht op bijstand.

ECLI:NL:CRVB:2013:1292 - Herziening bijstandsuitkering door met terugwerkende kracht de hogere inkomsten uit partneralimentatie op de bijstand in mindering te brengen. Alimentatiebetalingen worden naar hun aard als inkomsten in de zin van artikel 32 van de Wwb aangemerkt. Niet gebleken is dat appellante pogingen heeft ondernomen om deze aanspraak te gelde te maken; deze keuze dient voor rekening van appellante te blijven. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellante over deze middelen beschikte of daarover redelijkerwijs kon beschikken in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wwb.

ECLI:NL:CRVB:2013:1549 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van vervanging van een televisie omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dat in het geval van appellante niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waaruit deze kosten voortvloeien.

ECLI:NL:CRVB:2013:1865 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Hierdoor heeft hij in onvoldoende mate voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2042 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Het centrum van het dagelijks leven van betrokkene bevond zich in en rond de woning van appellante in de periode in geding. Eerst geruime tijd nadien heeft appellante gemeld dat zij wordt gestalkt door betrokkene en dat hij haar woning niet wil verlaten als zij hem daarom verzoekt.

ECLI:NL:CRVB:2013:2223 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante niet feitelijk heeft verbleven op het door haar opgegeven adres, waarmee zij, doordat zij hiervan geen melding heeft gemaakt, de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellante niet woonachtig was op het opgegeven adres. Het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres van appellante maakt het niet aannemelijk dat zij in de betreffende woning haar hoofdverblijf had.

ECLI:NL:CRVB:2013:2384 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van de woning. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die nopen af te wijken van het uitgangspunt dat inrichtingskosten uit het eigen inkomen moeten worden voldaan en dat het ontbreken van reserveringsruimte in verband met de aflossing van schulden geen bijzondere omstandigheid is.

ECLI:NL:CRVB:2013:2635 - Afwijzing aanvraag om als oudere zelfstandige op grond van het Bbz 2004 in aanmerking te worden gebracht voor bijstand voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal. Appellant heeft onvoldoende gegevens verstrekt om de levensvatbaarheid van zijn bedrijf te beoordelen, zodat niet kan worden vastgesteld of hij als oudere zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Bbz 2004 recht heeft op bijstand.

ECLI:NL:CRVB:2013:2759 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten niet onverkort recht hebben op bijstand aangezien appellant langer dan vier weken verblijf heeft gehouden in het buitenland. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant wegens zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Wwb, niet in staat was om tijdig naar Nederland terug te keren.

ECLI:NL:CRVB:2013:2875 - Weigering algemene en bijzondere bijstand omdat het bedrag aan studiefinanciering dat appellant maandelijks ontvangt hoger is dan het bedrag aan bijstand, inclusief bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Wwb, waarop appellant aanspraak zou kunnen maken. Studiefinanciering is op grond van de WSF 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant studiefinanciering op grond van de WSF 2000 ontving, stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg, omdat er is geen sprake van zeer dringende redenen.

ECLI:NL:CRVB:2014:23 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant en betrokkene de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat zij niet op het uitkeringsadres, maar in een andere gemeente woonachtig zijn en omdat appellant werkzaamheden heeft verricht waarmee hij redelijkerwijs inkomen heeft kunnen verwerven. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant heeft werkzaamheden verricht die de vrienden- en familiedienst te boven gingen.

ECLI:NL:CRVB:2014:111 - Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te verwachten dat appellant uit zijn bedrijf na bijstandverlening een inkomen zou verwerven dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Appellant, op wie als aanvrager de bewijslast rust, is er niet in geslaagd om met objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - aannemelijk te maken dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

ECLI:NL:CRVB:2014:309 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet is verschenen op afspraken en niet tijdig de gevraagde bankafschriften heeft overgelegd. Gelet op de inhoud van de brieven van het dagelijks bestuur, waarin appellant erop is gewezen dat hij niet op afspraken is verschenen, dat daarom het recht op bijstand is opgeschort en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om deze fout te herstellen door alsnog op gesprek te komen, moet het voor appellant duidelijk zijn geweest dat hij op de data in geding diende te verschijnen.

ECLI:NL:CRVB:2014:586 - Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens, in onderlinge samenhang bezien, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant en betrokkene gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

ECLI:NL:CRVB:2014:801 - Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) wegens inkomsten uit diverse bronnen. Appellante heeft haar stelling dat zij leningen is aangegaan niet afdoende met stukken onderbouwd. De SVB wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen één van de bestreden besluiten. Dit nieuwe besluit vergt van de SVB slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil leidt. Daarom is een bestuurlijke lus niet aangewezen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1006 - Beëindiging loonkostensubsidie ten behoeve van de bij appellante in dienst zijnde ID-werknemers omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen de gegunde termijn niet de benodigde maatregelen kon treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie te ondervangen. Door appellante alsnog subsidie toe te kennen tot de datum in geding heeft het college een redelijke termijn in acht heeft genomen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1225 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Nu uit wat appellant heeft aangevoerd blijkt dat hij er bewust voor heeft gekozen om zich niet eerder dan op 6 februari 2012 te melden om bijstand aan te vragen, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met ingang van 29 november 2011 rechtvaardigen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1312 - Weigering Bbz-uitkering omdat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verschillen in becijferingen tussen het adviesbureau van het college en dat van appellante nogal fors zijn en dat de uitkomsten recht tegenover elkaar staan. Gelet hierop heeft de rechtbank het aangewezen geacht het IMK te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar de levensvatbaarheid van het door appellante te starten bedrijf. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het door het IMK uitgebrachte advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het advies is inzichtelijk, consistent en overtuigend gemotiveerd en geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Daarbij wordt mede betekenis gehecht aan het aanvullend advies van het IMK, waarin het IMK de uitgebreide kritiek van appellante op het eerste advies voldoende weerlegd.

ECLI:NL:CRVB:2014:1426 - Weigering Bbz-uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te verwachten dat appellant uit zijn bedrijf een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad vormen louter eigen verwachtingen van de betrokkene omtrent te verwachten omzet, en daarmee de levensvatbaarheid, onvoldoende basis voor het toekennen van een bedrijfskrediet en/of een periodieke bijstandsuitkering als (startend) zelfstandige.

ECLI:NL:CRVB:2014:1568 - Weigering bijzondere bijstand omdat zowel de reiskosten van appellant als de reiskosten van de kinderen niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb, maar algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die uit de algemene bijstand dienen te worden betaald. Met betrekking tot de kosten van de speltherapie geldt de Zorgverzekeringswet als een voorliggende voorziening, maar in die wet en de daarop gebaseerde regelgeving zijn alternatieve geneeswijzen zoals speltherapie als niet noodzakelijk aangemerkt.

ECLI:NL:CRVB:2014:1716 - Oplegging maatregel van 20% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand en aansluitend nogmaals één maand omdat appellant zijn verplichtingen op grond van artikel 9, eerste en derde lid, van de Wwb niet is nagekomen. Appellant heeft geweigerd deel te nemen aan het traject en daarmee geen gebruik gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant verminderd verwijtbaar is.

ECLI:NL:CRVB:2014:1946 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de perioden in geding eigenaar was van een in Servië gelegen onroerende zaak met een waarde van €150.000,-. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken. Als gevolg daarvan hebben zij ten onrechte bijstand ontvangen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2081 - Weigering kwijtschelding van de openstaande Bbz-schulden omdat op grond van het beleid geen kwijtschelding wordt verleend voor vorderingen die voortvloeien uit het Bbz 2004. De door appellante gestelde medische en sociale omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als dringende redenen om van verdere invordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:2136 - Leenbijstand wegens in aanmerking te nemen vermogen gebonden in de door appellanten bewoonde woonwagen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat, gelet op de verbintenisrechtelijke aanspraken van appellanten op de woonwagen en de op hen rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen, deze woonwagen is aan te merken als een bezitting van appellanten in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Terecht is uitgegaan van de WOZ-waarde van de woonwagen. Dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woonwagen na gebruikmaking van het wegbreekrecht en de daarmee verband houdende kosten en mogelijke schade, is niet aannemelijk gemaakt. De Raad voorziet zelf in de zaak en stelt het bedrag aan leenbijstand vast op €37.379,-.

ECLI:NL:CRVB:2014:2137 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering tot een bedrag van €10.571,19 omdat appellant werkzaamheden heeft verricht in verband met de krantenwijk die op naam staat van zijn zoon. Die werkzaamheden zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan appellant geen melding aan het college heeft gedaan. De inkomsten uit deze krantenwijk zijn als inkomsten van appellant aangemerkt. Appellant heeft geen duidelijk inzicht gegeven in de omvang van zijn aandeel in de krantenwijk van zijn zoon.

ECLI:NL:CRVB:2014:2146 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens met €86.900,-. Door van de eigendom van de woning geen melding te maken aan het college en zich als huurder te presenteren, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De gestelde schuld bij zijn moeder is niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt en ook staat niet vast dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

ECLI:NL:CRVB:2014:2203 - Oplegging maatregel van 20% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand op de grond dat appellante het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid heeft belemmerd door te weigeren een oriënterend bezoek te brengen aan de werkgever. Oplegging van eenzelfde maatregel omdat appellante zich tijdens een workshop sollicitatievaardigheden onacceptabel heeft gedragen, zodat de cursusleidster haar uiteindelijk heeft moeten wegsturen. Daaruit volgt dat appellante onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

ECLI:NL:CRVB:2014:2267 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een koelkast, komfoor en televisie. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Voor duurzame gebruiksgoederen geldt dat appellant deze dient te betalen door vooraf geld te reserveren, dan wel door daarvoor geld te lenen bij de gemeentelijke kredietbank of door gespreide betaling achteraf. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellant geen gebruik kan maken van deze opties.

ECLI:NL:CRVB:2014:2279 - Weigering bijzondere bijstand voor extra stookkosten omdat de kosten niet als medisch noodzakelijk zijn aan te merken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het advies van de GGD op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Appellant heeft dit advies niet bestreden met een ander deskundigenadvies.

ECLI:NL:CRVB:2014:2282 - Uitsluiting van het recht op bijstand gedurende één dag omdat appellant het maximaal toegestane verblijf in het buitenland met één dag heeft overschreden. De toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, juncto artikel 13, vierde lid, van de Wwb levert geen strijd op met het verbod op leeftijdsdiscriminatie als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR.

ECLI:NL:CRVB:2014:2362 - Bijstandverlening met terugwerkende kracht. Appellante heeft op grond van, achteraf onjuist gebleken, informatie van de bijstandsconsulent afgezien van een aanvraag. Daarin zijn bijzondere omstandigheden gelegen die rechtvaardigen dat de bijstand, in afwijking van artikel 44, eerste lid, van de Wwb, met ingang van een eerdere datum wordt toegekend dan de datum waarop appellante zich laatstelijk bij het UWV-Werkbedrijf heeft gemeld.

ECLI:NL:CRVB:2014:2365 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant met beleggings- en handelsactiviteiten in de kosten van levensonderhoud kon voorzien, totdat het saldo op zijn beleggingsrekening werd geblokkeerd in verband met een faillissementsaanvraag van de depotbank. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door zijn moeder op zijn bankrekening gestorte bedrag van €5000,- als lening met een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting moet worden aangemerkt. Appellant heeft de keuze gemaakt om het gehele bedrag van €5000,- van zijn privérekening naar zijn beleggingsrekening over te maken en niet aan te wenden voor zijn kosten van levensonderhoud.

ECLI:NL:CRVB:2014:2478 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende vier maanden omdat appellant voor de tweede keer heeft geweigerd het trajectplan te ondertekenen. Er is geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is omdat het college onvoldoende acht heeft geslagen op de psychische gesteldheid van appellant.

ECLI:NL:CRVB:2014:2479 - Toekenning meerjarige aanvullende uitkering op het budget Wwb-inkomensdeel (MAU-uitkering), waarbij rekening is gehouden met een eigen bijdrage van 5%. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tekort niet mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. De minister heeft de eigen bijdrage terecht bepaald op 5%.

ECLI:NL:CRVB:2014:2481 - Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) wegens overschrijding van de vermogensgrens. Door de eigendom van het appartementencomplex in Turkije niet te melden, hebben appellanten hun inlichtingenverplichting geschonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op AIO-aanvulling bestond.

ECLI:NL:CRVB:2014:2507 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant ten tijde van de intrekking geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de Wwb. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de Wwb en kan aan hem, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de Wwb worden toegekend.

ECLI:NL:CRVB:2014:2644 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven uitkeringsadres. De inbreuk die het college heeft gemaakt door de hantering van één van de onderzoeksmiddelen was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het doel. De Raad ziet in de gehanteerde onderzoeksmiddelen, waaronder zelfs het markeren van de voordeur, geen aanleiding voor een ongerechtvaardigde inbreuk in het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Evenmin kan worden geoordeeld dat op enig moment een minder ingrijpend onderzoeksmiddel aan het college ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken.

ECLI:NL:CRVB:2014:2765 - Tussenuitspraak. Indien het effect van een gemeentelijke verordening is dat een betrokkene als gevolg van detentie in feite gedurende drie jaren wordt uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, is de gemeenteraad niet bevoegd tot het stellen van regels die tot uitsluiting leiden van het recht op langdurigheidstoeslag. Het college dient nader te onderzoeken of appellant over de jaren 2009, 2010 en 2011 aanspraak kan maken op langdurigheidstoeslag. De Raad draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2782 - Weigering bijzondere bijstand voor proceskosten in het kader van gezinshereniging. Voor de kosten van de nareisprocedures, te weten eigen bijdragen voor rechtsbijstand en griffierechten, gemaakt om vrouw en kinderen van appellant met hem in Nederland te herenigen, kan geen bijzondere bijstand worden verleend omdat dit geen kosten van appellant zelf zijn, ook al zijn hem deze kosten in rekening gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2014:2896 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante heeft geweigerd mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het standpunt van appellante dat haar vanwege gestelde psychische problematiek geen verwijt kan worden gemaakt van de weigering mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek volgt de Raad niet omdat appellante dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. Er is geen sprake van dringende redenen om van intrekking af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:2944 - Tussenuitspraak. Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante beschikt over onroerend goed in Turkije waarvan de waarde hoger is dan de voor haar toepasselijke vermogensgrens. Naar Turks recht bewijst de verkrijger na een eigendomsovergang met een "tapu senedi" op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden. Dit betekent, anders dan de Raad in een eerdere uitspraak heeft overwogen, dus ook dat de vervreemder naar Turks recht met een "tapu senedi" kan bewijzen met ingang van die datum niet langer eigenaar te zijn.

ECLI:NL:CRVB:2014:2947 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zonder daarvan mededeling te doen aan het college. De Raad oordeelt dat kerntaken met betrekking tot de bijstandverlening, zoals de preventie van bijstandsfraude, binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd. Deze mogen niet worden uitbesteed aan een privaat bedrijf, zoals in onderhavige zaak is gebeurd. Gebeurt dat wel, dan is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs dat niet gebruikt kan worden door het college.

ECLI:NL:CRVB:2014:2971 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het appellant valt te verwijten dat hij de aanvraag om bijstand niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend na de melding op de datum in geding, zodat het college de ingangsdatum van de bijstand ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wwb had moeten vaststellen op die datum. Daarbij wordt aangetekend dat het college niet heeft aangevoerd dat er enig beletsel bestaat om aan appellant met ingang van die datum bijstand te verlenen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3092 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat als de woning wordt binnengetreden met een van het parket verkregen machtiging tot binnentreden om betrokkenen aan te houden, er geen sprake is van een huisbezoek en dus ook geen schending van het huisrecht.

ECLI:NL:CRVB:2014:3120 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant door zonder tegenbericht niet te verschijnen om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd. Gelet op een eerder opgelegde maatregel is tevens sprake van recidive. Het college heeft onvoldoende maatwerk geleverd. Het college had appellant niet aangesproken over het geruime tijdsverloop van het arbeidsverzuim (meer dan tweeënhalve maand) en over de aangeboden tweede verlenging van de arbeidsovereenkomst, maar heeft appellant plompverloren uitgenodigd om een arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Het is niet verwijtbaar dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om het nieuwe contract te ondertekenen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3221 - Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor dieetkosten. De Raad oordeelt dat bijzondere bijstand voor kosten van glutenvrij dieet ten onrechte is afgewezen op de grond dat de Zorgverzekeringswet voor deze kosten als voorliggende voorziening ten opzichte van de Wwb is aan te merken. De Raad draagt het college op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3241 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Minimale duur van het hoofdverblijf. Wanneer sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf is niet nader ingevuld door de wetgever. De vraag of sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf in dezelfde woning dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij tekent de Raad aan dat de duur van het verblijf één van de omstandigheden is waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid.

ECLI:NL:CRVB:2014:3251 - Intrekking bijstand omdat appellante door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek de op haar ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het betoog van appellante dat het college van haar geen medewerking mocht verlangen aan het afleggen van een huisbezoek omdat een melding van zes jaar terug waaruit twijfel over de woon- en leefsituatie naar voren is gekomen geen redelijke grond vormt voor een huisbezoek en dat appellante niet is geïnformeerd over wat meer dan die melding tot een huisbezoek noopt, wordt verworpen. Ter zake van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank niet onderkend dat appellante de hoogte van de toegekende wettelijke rente heeft betwist en dat de wijze waarop de wettelijke rente is berekend onjuist is. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:3351 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering omdat appellant ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb geen recht op algemene bijstand heeft daar hij jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Appellant heeft terecht aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen omdat het alleen mogelijk is om in september en in februari met de beoogde opleidingen te beginnen. De Raad oordeelt dat in aanmerking moet worden genomen de datum waarop deelname aan dit onderwijs feitelijk mogelijk was. Het bestreden besluit ontbeert een toereikende motivering en juiste feitelijke grondslag. De Raad draagt het college op het gebrek te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3361 - Herziening bijstandsuitkering van de gehuwden- naar de ongehuwdennorm omdat de echtgenote van appellant in de periode in geding haar hoofdverblijf had in Egypte. Terugvordering van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van €35.493,52. De in de rapportage van de SVB opgenomen samenvatting van de verklaring van de kinderen, 13 en 16 jaar oud, waarborgt onvoldoende dat wat de kinderen hebben verklaard juist is weergegeven en bovendien wordt niet weergegeven hoe de gesprekken zijn verlopen. De getuigenverklaringen van de buurtbewoners bieden onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van het college te onderbouwen. De Raad oordeelt dat er ontoereikende feitelijke grondslag is voor het standpunt dat het centrum van het maatschappelijk leven van de echtgenote van appellant zich in Egypte bevond.

ECLI:NL:CRVB:2014:3416 - Tussenuitspraak. Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding contante bedragen op zijn bankrekening heeft gestort waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. De Raad oordeelt dat een eenmalige kasstorting die, in afwijking van de voorgaande periodieke kasstortingen, de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat, moet worden aangemerkt als vermogen. Het recht op bijstand kan wel worden vastgesteld. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3691 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuiktering omdat appellant zich als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In geding is de redelijkheid van de duur van de intrekking met terugwerkende kracht. De Raad geeft een aantal criteria voor toepassing van de uitsluitingsgrond "het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf". Naar het oordeel van de Raad heeft het college de uitsluiting van het recht op bijstand op deze uitsluitingsgrond, gebaseerd op informatie van het CJIB, onvoldoende onderbouwd. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3698 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet alle relevante informatie heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, gaat het onder de omstandigheden te ver om voor de toepassing van de Wwb zonder meer aan te nemen dat appellant in de periode in geding enkel op grond van een nimmer gebruikte machtiging voor bankrekeningen van diens zus en zwager beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen dat aan bijstandverlening aan hem in de weg stond. Daaruit vloeit tevens voort dat de door het college gevraagde afschriften van de bankrekeningen niet noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand.

ECLI:NL:CRVB:2014:3763 - Weigering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting doordat appellant heeft geweigerd informatie te verstrekken over de identiteit van de ten tijde van het huisbezoek aanwezige vrouw. Niet kan worden gezegd dat appellant door de vraag over de identiteit van de in zijn woning aanwezige vrouw niet te beantwoorden de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant was niet gehouden meer te verklaren dan hij heeft gedaan. In dit kader is van belang dat appellant wel heeft meegewerkt aan het huisbezoek.

ECLI:NL:CRVB:2014:3791 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat appellante niet aan haar eerst afgelegde en ondertekende verklaring kan worden gehouden omdat zij zonder tolk is gehoord terwijl het college haar had opgeroepen met een tolk. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport juist en zakelijk weergeeft wat appellante heeft verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:3872 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting doordat appellante geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van structurele bijdragen van haar zus ter voorziening in de kosten van haar levensonderhoud. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een lening. De Raad zet uiteen dat periodiek terugkerende kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger die kunnen worden aangewend voor de bestaanskosten en zien op een periode waarin beroep op bijstand wordt gedaan, als inkomsten moeten worden beschouwd in de maanden waarin de betalingen hebben plaatsgevonden. Mocht er al sprake zijn van geleende bedragen, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. Dit kan echter anders zijn indien betrokkene voor zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen over een periode waarin hij (nog) geen enkel inkomen ontvangt.

ECLI:NL:CRVB:2014:3876 - Weigering bijstand met terugwerkende kracht omdat appellant verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk na de melding een bijstandsaanvraag heeft ingediend. Het college wijst er terecht op dat als appellant problemen ondervond met het doen van een digitale aanvraag, hij zich op dat moment had kunnen wenden tot één van de op het Werkplein aanwezige medewerkers. Appellant heeft dat niet gedaan.

ECLI:NL:CRVB:2014:3897 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering op de grond dat betrokkene vanaf de datum in geding niet meer woonachtig is in de gemeente zodat jegens het college geen recht bestaat op bijstand, dat contant geld en sieraden in een kluis op het uitkeringsadres zijn aangetroffen en dat betrokkene gemachtigd was op een tweetal rekeningen van haar zoon. Door dit alles niet te melden aan het college heeft betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat het aangetroffen geld tot het vermogen van betrokkene kan worden gerekend, maar dat dit nog niet rechtvaardigt dat de bijstand over een voorliggende periode niet kan worden vastgesteld.

ECLI:NL:CRVB:2014:3987 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de jaren in geding, gelet op het feit dat hij de weekenden in België verblijft en omdat hij in die jaren al langer dan de maximale duur van vier weken in het buitenland had verbleven, één dag per week geen recht heeft op bijstand. De Raad oordeelt echter dat de bijzondere omstandigheden van dit geval er niet toe leiden dat onverkorte bijstandverlening in strijd komt met het in de Wwb neergelegde territorialiteitsbeginsel.

ECLI:NL:CRVB:2014:4006 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De Raad overweegt dat indien na intrekking of beëindiging wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding betrokkene bij een nieuwe aanvraag verklaringen overlegt met concrete en feitelijke informatie over de woonsituatie, van het college kan worden verlangd dat een onderzoek wordt verricht naar de juistheid van deze verklaringen, bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek. De Raad voorziet zelf in de zaak.

ECLI:NL:CRVB:2014:4113 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellanten redelijkerwijs konden beschikken over vermogen boven de vermogensgrens. Appellant heeft als gemachtigde bij een bankrekening in de periode in geding transacties verricht. Dat daarna een periode volgt zonder transacties brengt niet mee dat appellanten ook in deze latere periode niet redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over het tegoed op die rekening.

ECLI:NL:CRVB:2014:4241 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand wegens schending van de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van inkomsten uit arbeid. De Raad ziet geen aanleiding om de opgelegde maatregel te matigen. Dat het OM voor het vergrijp een taakstraf van 50 uur zou hebben opgelegd terwijl het college de bijstand voor één maand heeft verlaagd, vormt geen reden voor die matiging. Normen uit het strafrecht en bestuursrechtelijke criteria zijn volgens de Raad van verschillende orde.

ECLI:NL:CRVB:2014:4346 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Er is voldaan aan de criteria van hoofdverblijf en wederzijdse zorg. De Raad merkt het huisbezoek als onrechtmatig aan. Er was een minder belastend onderzoek mogelijk - en dus is er geen sprake van redelijke grond voor het huisbezoek - aangezien appellante een auto op haar naam had staan terwijl ze geen rijbewijs had en in de verzekeringspolis haar partner als bestuurder was geregistreerd. Appellante had naar het oordeel van de Raad eerst opgeroepen kunnen worden voor een gesprek.

ECLI:NL:CRVB:2014:4350 - Weigering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting doordat appellant heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek en voortijdig de spreekkamer heeft verlaten, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden appellant in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij er, wellicht wat emotioneel, blijk van heeft gegeven op dat moment niet te kunnen instemmen met een onmiddellijk af te leggen huisbezoek aangezien dit het eerder geplande sollicitatiegesprek, en daarmee de mogelijkheid van het verkrijgen van een baan, zou doorkruisen.

ECLI:NL:CRVB:2015:15 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant, die dakloos is, geen informatie heeft verstrekt over zijn verblijfadres, zodat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de belanghebbende recht heeft op bijstand. Ook van iemand die dakloos is, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.

ECLI:NL:CRVB:2015:34 - Weigering Bbz-uitkering omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een wijziging van het eerder ter zake van hetzelfde doel genomen besluit. De levensvatbaarheid van de onderneming van appellante ten tijde van de aanvraag is door het college niet onderzocht. Gezien het korte tijdsverloop tussen de aanvraag van 7 augustus 2012 en de aanvraag van 3 april 2013 is aannemelijk dat de levensvatbaarheid op beide data niet wezenlijk verschilde. Voorts heeft het college geen aannemelijke verklaring kunnen geven waarom het in april 2013 aanwezige vermogen in zijn geheel is aangemerkt als voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk vermogen en waarom het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel niet. De Raad merkt ook het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel aan als voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk vermogen.

ECLI:NL:CRVB:2015:57 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Het college was niet bevoegd om zelfstandig vast te stellen dat betrokkene geen verblijfsrecht (meer) heeft. Het college had daarover in overleg moeten treden met de staatssecretaris. Door dit na te laten, heeft het colege het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en heeft het college de afwijzing van de aanvraag ten onrechte gebaseerd op de grond dat betrokkene als gevolg van de aanvraag om bijstand niet langer rechtmatig verblijf houdt in Nederland, zodat betrokkene geen rechthebbende is in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Wwb. Het college heeft niet in overleg met de staatssecretaris onderzocht of betrokkene aan het recht van de EU in de beoordelingsperiode een verblijfsrecht hier te lande kon ontlenen. Dat het hier gaat om een EU-burger die zich niet bij de IND heeft gemeld, maakt dat niet anders.

ECLI:NL:CRVB:2015:79 - Toekenning bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 10% van de gehuwdennorm. Betrokkene moet worden aangemerkt als een alleenstaande in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. Met een woning is een zelfstandige woning bedoeld, namelijk een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Gelet op de woonsituatie van betrokkene en haar moeder, kan de woonruimte van betrokkene niet worden aangemerkt als zelfstandige woning.

ECLI:NL:CRVB:2015:153 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante meer uren heeft gewerkt dan opgegeven. Het beroep op artikel 8 EVRM faalt. Het college heeft het onderzoeks- en controlemiddel van heimelijke waarnemingen mogen inzetten omdat er geen minder belastend onderzoeksmiddel was. Er bestond geen reële mogelijkheid om eerst bij de werkgever navraag te doen naar de omvang van de werkzaamheden.

ECLI:NL:CRVB:2015:166 - Weigering algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 naar de norm voor gehuwden omdat het bedrijf van betrokkene niet levensvatbaar is en subsidiair omdat betrokkenen de mogelijkheid hebben om één van hun twee auto’s te verkopen, zodat zij over voldoende vermogen beschikken dat te gelde kan worden gemaakt. Het bezit van de tweede auto is niet nodig, aangezien het geen gebruikelijke dan wel noodzakelijke bezitting betreft. De in artikel 34 van de Wwb opgenomen vrijlating van het bescheiden vermogen is niet van toepassing op zelfstandigen die op grond van het Bbz 2004 bijstand ontvangen.

ECLI:NL:CRVB:2015:177 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Nu het college zelf de onduidelijkheid over de afhandeling van een eerdere aanvraag om bijstand van appellante heeft geschapen, kan appellante niet worden verweten dat zij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft gedaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:318 - Toekenning bijstand in de vorm van een geldlening omdat appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan door te snel in te teren op zijn vermogen. Appellant heeft €20.232,- aangewend als belegging in een koopsompolis. Eventueel in de toekomst te betalen belasting vormt geen concrete schuld waarmee in het kader van de toepassing van de Wwb bij de vaststelling van het vermogen rekening dient te worden gehouden.

ECLI:NL:CRVB:2015:343 - Oplegging maatregel van 100% gedurende drie maanden omdat appellant wederom verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De opgelegde verplichting om aan het re-integratietraject deel te nemen, is geen arbeidsverplichting als verboden in artikel 4 EVRM. De gemeentelijke verordening biedt geen grondslag voor de opgelegde maatregel. De Raad oordeelt dat, gelet op de recidive, een maatregel van 50% gedurende twee maanden had moeten worden opgelegd.

ECLI:NL:CRVB:2015:416 - Intrekking bijstandsuitkering omdat de vader de hypotheeklasten voor appellant betaalt en dat deze betalingen als middelen moeten worden beschouwd die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Deze middelen zijn hoger dan de voor appellant geldende bijstandsnorm. Appellant heeft, gelet op de betalingen door zijn vader, weliswaar feitelijk niet beschikt over deze middelen, maar hij heeft daarover redelijkerwijs kunnen beschikken. Het gaat hier niet om betalingen waarvan de vader de bestemming eenzijdig en onherroepelijk heeft bepaald, maar om betalingen ten behoeve van appellant die appellant ook vrijelijk had kunnen aanwenden voor kosten van levensonderhoud.

ECLI:NL:CRVB:2015:417 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand wegens schending van de inlichtingenverplichting, waarbij het benadelingsbedrag hoger is dan €6000,-. Het beginsel van de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dwingt het college er niet toe om met het opleggen van de maatregel als hier aan de orde te wachten tot het op schending van de inlichtingenverplichting gebaseerde terugvorderingsbesluit in rechte vaststaat. Er is geen sprake van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel.

ECLI:NL:CRVB:2015:422 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand wegens de beëindiging van het re-integratietraject door toedoen van betrokkene. De Raad oordeelt dat de gemeentelijke verordening geen verbindende kracht heeft voor zover uit de in de toelichting opgenomen criteria van maatregelwaardige gedragingen en de hoogte en duur van de op te leggen maatregelen niet kan worden opgemaakt welke gevolgen aan de te onderscheiden gedragingen worden verbonden.

ECLI:NL:CRVB:2015:425 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante inkomsten heeft gehad uit het fokken van, handelen in en het laten dekken van honden, waarvan zij aan het college geen opgave heeft gedaan. Anders dan het college heeft aangevoerd, is er geen sprake van een onderzoek door een privaat bedrijf dat is uitgevoerd onder gezag en aansturing van de gemeente en dat louter vanwege gespecialiseerde expertise ingehuurd is. Het college heeft kerntaken, die binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd, uitbesteed aan een privaat bedrijf. Dit leidt ook in dit geding tot de conclusie dat het college de onderzoeksbevindingen heeft verkregen in strijd met artikel 7, vierde lid, van de Wwb. Van dit onrechtmatig verkregen bewijs moet ook in dit geval worden gezegd dat het gebruik ervan door het college zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

ECLI:NL:CRVB:2015:455 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit handel in (nep) verdovende middelen. Appellant heeft geen inzicht verschaft in de omvang van zijn activiteiten en de hieruit genoten inkomsten, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de maanden in geding niet kan worden vastgesteld. Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Processen-verbaal uit de strafprocedure kunnen een voldoende grondslag vormen voor de besluitvorming van het college.

ECLI:NL:CRVB:2015:456 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel van 30% gedurende één maand omdat betrokkene zijn arbeidsverplichtingen niet is nagekomen door verwijtbaar niet te verschijnen op de oproepen voor deelname aan een oriëntatieperiode. Het niet voldoen aan een re-integratieverplichting zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb kan niet worden aangemerkt als een situatie waarin het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In dat geval kan het college het recht op bijstand niet opschorten en daarna intrekken.

ECLI:NL:CRVB:2015:459 - Tussenuitspraak. Indiening nieuwe bijstandsaanvraag na eerdere intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De aanvraag is afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De stelling van appellante dat in haar woning geen spullen van de partner zullen worden aangetroffen, is naar het oordeel van de Raad een relevante gewijzigde omstandigheid. Deze omstandigheid is concreet en verifieerbaar voor het college, terwijl appellante deze omstandigheid niet verder kan aantonen.

ECLI:NL:CRVB:2015:623 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van het bezit van onroerende zaken in Turkije en van sieraden, waarvan de gezamenlijke waarde de vermogensgrens overschrijdt. Toekenning van bijstand onder aftrek van de inkomsten uit de verhuur van een theehuis in Turkije. Appellant heeft redelijkerwijs kunnen beschikken over het theehuis, waaruit volgt dat hij ook redelijkerwijs geacht kan worden te beschikken over de daarmee verworven inkomsten.

ECLI:NL:CRVB:2015:637 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een te verrichten contra-expertise. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kosten van een contra-expertise in een (te voeren) WIA-procedure niet als uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. De afwijzing is volgens de Raad terecht omdat het gegeven dat een behandelaar zich aan medische richtlijnen moet houden niet betekent dat de inbreng van medische gegevens door de behandelaar, waardoor aan de bevindingen van de verzekeringsarts getwijfeld kan worden, niet mogelijk is.

ECLI:NL:CRVB:2015:678 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van neurofeedbehandelingen omdat de Zvw en AWBZ als voorliggende voorzieningen gelden. De Raad oordeelt dat in de bijzondere medische omstandigheden van dit specifieke geval zeer dringende redenen zijn gelegen die bijzondere bijstand voor de kosten van de behandeling noodzakelijk maken. De Raad treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur vanaf de dagtekening van deze uitspraak voor de neurofeedbackbehandelingen bij wijze van voorschot bijzondere bijstand verleent tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar.

ECLI:NL:CRVB:2015:901 - Afwijzing verzoek om kwijtschelding van een schuld aan het college omdat sprake is van een fraudevordering en appellant niet gedurende tien jaar volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan. Appellant heeft daarmee niet voldaan aan de voorwaarden van het door het college gehanteerde beleid. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

ECLI:NL:CRVB:2015:907 - Herziening en terugvordering van bijstandsuitkering en AIO-aanvulling omdat het (verzwegen) Bosnisch pensioen van appellant als inkomen wordt aangemerkt dat op de bijstand in mindering dient te worden gebracht. De Raad oordeelt dat artikel 33, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wwb zoals die bepaling luidde op 1 juli 2004 een vrijlatingsbepaling kent voor particuliere oudedagsvoorzieningen, die door de SVB niet is toegepast. Wat betreft de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad is voor toepassing daarvan in Wwb-zaken in beginsel geen plaats nu sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt ook.

ECLI:NL:CRVB:2015:934 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit hennepteelt, onder de overweging dat bij het kweken van vijf hennepplanten al geen sprake meer kan zijn van uitsluitend eigen gebruik. Omdat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, is de onduidelijkheid met betrekking tot de kweek, de oogst en de eventuele opbrengst blijven bestaan en kan het recht op bijstand niet worden beoordeeld. De Raad oordeelt dat uit de enkele kweek van vijf hennepplanten niet een meldingsplicht kan worden afgeleid. Nu het college geen specifieke vragen heeft gesteld over de aanwezigheid van hennepplanten, en ook anderszins geen concrete aanwijzingen voorhanden zijn dat betrokkene inkomsten uit de teelt van hennep heeft gehad of zou hebben kunnen verkrijgen, is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene.

ECLI:NL:CRVB:2015:955 - Oplegging maatregel omdat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting om mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek. De Raad oordeelt dat appellant dient mee te werken aan het onderzoek. Dit houdt tevens in dat appellant eraan meewerkt dat het dagelijks bestuur kennis kan nemen van de resultaten van het onderzoek. Een beroep op het blokkeringsrecht is hiermee niet in overeenstemming, zodat een maatregel op zijn plaats is.

ECLI:NL:CRVB:2015:1212 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering op de grond dat appellant beschikt over voldoende middelen van bestaan, omdat zijn inkomsten, bestaande uit zijn reguliere loon van de coffeeshop en de vaste bijkomende beloning van zijn werkgever in de vorm van één gram hasj per werkdag, hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm voor appellant en zijn gezin. Omdat appellant de ontvangen hasj niet vrij kan besteden, dit geen loon in natura betreft en voorts niet is onderbouwd dat deze kosten betrekking hebben op kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen, kan de hasj niet als middel in de zin van artikel 31 van de Wwb worden aangemerkt. In dit geval kan de bijstand worden afgestemd in de vorm van een verlaging omdat in kosten van appellant wordt voorzien.

ECLI:NL:CRVB:2015:1213 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. In dit geval heeft het college ten onrechte nagelaten een standpunt in te nemen over de vraag of appellant met terugwerkende kracht in aanmerking kan komen voor bijstand nu appellant, na eerdere afwijzing van zijn bijstandsaanvraag, een beroep kan doen op de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust evenmin op een deugdelijke motivering.

ECLI:NL:CRVB:2015:1228 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkenen onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over het woningbezit in Marokko waardoor het recht op bijstand ten tijde van de aanvraag niet is vast te stellen. De Raad oordeelt dat gemeenten zonder enige directe aanleiding mogen onderzoeken of mensen terecht bijstand ontvangen. Gemeenten mogen daarbij gebruik maken van risicoprofielen en die mogen worden gebaseerd op onderscheid naar land van herkomst.

ECLI:NL:CRVB:2015:1248 - Weigering Bbz-uitkering omdat appellant niet voldoet aan het urencriterium. Artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Bbz (Bbz-uitkering aan een arbeidsongeschikte die een WAZ-uitkering heeft aangevraagd) is thans een loze bepaling, zodat het beroep van appellant op deze bepaling daarom niet slaagt. Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant niet voldoet aan het urencriterium, zodat appellant ten tijde van de aanvraag geen oudere gewezen zelfstandige was en dus niet behoort tot de kring van rechthebbenden van de Ioaz. Het dagelijks bestuur heeft in navolging van het advies van FBA Adviesgroep vervolgens gekeken of appellant alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een Ioaz-uitkering indien het jaar waarin appellant nog wel voldeed aan het urencriterium tot uitgangspunt wordt genomen. Hiermee heeft het dagelijks bestuur onverplicht toepassing willen geven aan de wettelijke bepalingen die sinds 29 december 2005 geen gelding meer hebben. Nu dit niet berust op een beleidsregel of een vaste gedragslijn van het dagelijks bestuur, moet dit worden gezien als een onverplichte, coulancehalve beoordeling die zich aan een rechterlijk oordeel onttrekt.

ECLI:NL:CRVB:2015:1257 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant heeft verzuimd om vóór de datum in geding deel 2 en deel 3 van het kentekenbewijs en een aankoopbewijs of betalingsbewijs van de aanschaf van de auto over te leggen. De Raad oordeelt dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt dat hij het verzuim niet heeft hersteld door niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens te verstrekken. Om deze reden was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb tot intrekking over te gaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:1333 - Weigering incidentele aanvullende uitkering (IAU) als bedoeld in artikel 74 van de Wwb, onder verwijzing naar het advies van de Toetsingscommissie Wwb (TC). Er is niet voldaan aan de statistische criteria voor de instroom en de uitstroom als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Regeling Wwb en WIJ. De staatssecretaris heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat de TC op overtuigende wijze heeft onderbouwd waarom in Assen in 2010 geen sprake is geweest van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt.

ECLI:NL:CRVB:2015:1370 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant, zonder daarvan melding te maken bij het college, een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene die op het uitkeringsadres in een toercaravan woont. De Raad oordeelt dat de toercaravan in de gegeven omstandigheden niet als een zelfstandige woning kan worden aangemerkt, maar moet worden beschouwd als een uitbreiding van, dan wel bijgebouw bij, de woning op het uitkeringsadres. Hierbij is van belang dat de toercaravan niet is aangesloten op nutsvoorzieningen en dus niet kan worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders, in dit geval van de woning van appellant, daarbij te betrekken.

ECLI:NL:CRVB:2015:1383 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering omdat appellant als eigenaar wordt beschouwd van de auto die hij kort na zijn bijstandsaanvraag op naam van zijn moeder heeft gezet en daarmee beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. De Raad oordeelt dat met betrekking tot een periode waarin een kenteken van een auto op naam van de betrokkene is geregistreerd, de betrokkene aannemelijk moet maken dat die auto desondanks niet tot zijn vermogen kan worden gerekend. Nadat in de hierop aansluitende periode het kentekenbewijs op naam van de moeder van de betrokkene is gesteld, moet het college op basis van de vooronderstelling dat de auto tot het vermogen van deze derde behoort aannemelijk maken dat desondanks de auto tot het vermogen van de betrokkene moet worden gerekend.

ECLI:NL:CRVB:2015:1429 - Intrekking bijstandsuitkering omdat met de ontvangst van een dwangsom van in totaal €3780,- appellante beschikt over een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. De Raad oordeelt dat een dwangsom vermogen betreft ook al strekt deze ertoe om het bestuursorgaan door middel van de financiële prikkel tot tijdig beslissen te manen. Ook bij bijstandsgerechtigden blijft die prikkel ten aanzien van het college bestaan omdat de dwangsom veelal niet leidt tot overschrijding van de vermogensgrens en een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm kan worden gehanteerd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1488 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging omdat appellante het college niet heeft gemeld dat zij de woning van haar dochter beheerde op een zodanige wijze (hennepkwekerij) dat gesproken kan worden van op geld waardeerbare activiteiten. Appellante heeft opnames van de creditcardrekening gedaan tot een bedrag van in totaal €11.500,-. Tevens zijn er diverse overschrijvingen gedaan van de rekeningen van haar kinderen op haar bankrekening tot een totaalbedrag van €5000,-. Het college heeft terecht het saldo van de opnames en de terugstortingen op de creditcardrekening alsmede de overschrijvingen van de kinderen als middelen aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:1499 - Weigering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding, waarbij niet is vast te stellen of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. De opgegeven woonsituatie stemt niet overeen met wat tijdens het huisbezoek is vastgesteld, zodat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van het verzwijgen van een gezamenlijke huishouding door op het aanvraagformulier niet te vermelden dat een betrokkene op het uitkeringsadres woont. Aan het woord "wonen" komt, zeker in het alledaagse spraakgebruik, niet dezelfde betekenis toe als aan het woord "hoofdverblijf" in het kader van een gezamenlijke huishouding. Er is geen grondslag aanwezig voor het geven van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wwb.

ECLI:NL:CRVB:2015:1539 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening, welk verzoek inhoudt dat de voorschotverlening, zoals eerder door de voorzieningenrechter van de rechtbank bepaald, met ingang van de datum in geding onverkort wordt voortgezet tot op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan het advies van IMK Intermediair. De conclusie van het advies is bovendien niet uitsluitend gebaseerd op de ondernemingskenmerken van verzoeker, maar ook op een commerciële en financiële analyse van het bedrijfsplan. Hierin is rekening gehouden met de marktsituatie en de marktmogelijkheden en zijn de financiële positie, de kredietbehoefte en de financiering in kaart gebracht. De aangevallen uitspraak zal naar verwachting in de bodemprocedure in stand kunnen blijven en de uiteindelijke uitkomst van de procedure zal dezelfde zijn.

ECLI:NL:CRVB:2015:1654 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het PGB door de bewindvoerder. De Raad oordeelt dat de weigering niet kan worden gebaseerd op het standpunt dat de AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ een voorliggende voorziening vormen, maar wel op de grond dat er sprake is van niet-noodzakelijke kosten van het bestaan. Betrokkene had ook kunnen kiezen voor zorg in natura.

ECLI:NL:CRVB:2015:1661 - Gedeeltelijke herziening en terugvordering bijstandsuitkering op de grond dat appellanten hebben verzwegen op regelmatige basis geld te hebben ontvangen van hun dochter en dat sprake is geweest van twee kasstortingen waarvan de herkomst niet is te herleiden. De door de dochter direct aan de touroperator betaalde vliegtickets en de direct aan de Belastingdienst betaalde wegenbelasting kunnen niet als middelen van appellanten worden aangemerkt. Appellanten hebben niet over deze gelden beschikt noch redelijkerwijs kunnen beschikken.

ECLI:NL:CRVB:2015:1701 - Tussenuitspraak. Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De Raad oordeelt dat de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, onder 2º, van de Wwb niet ziet op de situatie waarin appellant door het Rijk betaald onderwijs volgt waarvoor hij geen aanspraak heeft op studiefinanciering en het onderwijs waarvoor hij wel aanspraak zou hebben op studiefinanciering niet volgt. Evenmin volgt uit dit artikel en de wetsgeschiedenis dat appellant om bijstand te behouden, gedwongen is zijn door het Rijk betaalde opleiding waarvoor hij geen aanspraak kan maken op studiefinanciering te staken en alsnog een opleiding met aanspraak op studiefinanciering te volgen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1747 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant onderwijs kan volgen in verband waarmee hij aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De Raad oordeelt dat appellant zijn standpunt dat hij in verband met medische klachten niet in staat was om met de opleiding te starten niet slaagt omdat hij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1758 - Herziening bijstandsuitkering over de twee maanden in geding omdat de activiteiten van betrokkene in verband met het fokken van honden dienen te worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. De Raad oordeelt dat bij het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht, i.c. het uitoefenen van een hobby, niet van belang is. Het college hoefde dan ook niet te onderzoeken of aan betrokkene kan worden toegestaan één nest pups per jaar te fokken zonder dat de inkomsten in mindering worden gebracht op haar bijstand.

ECLI:NL:CRVB:2015:1796 - Weigering bijstandsuitkering op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting ten aanzien van het huisbezoek en onvoldoende informatie heeft gegeven, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek omdat het huisbezoek niet alleen de inschrijving op het opgegeven adres van drie andere personen betrof, maar ook de verklaringen die appellant heeft gegeven over zijn inkomsten en de betalingen van de huur door zijn ex-vrouw. De oorzaak dat het huisbezoek niet heeft kunnen plaatsvinden, ligt niet in het feit dat appellant niet op tijd kon zijn, maar in het feit dat hij zijn medewerking weigerde.

ECLI:NL:CRVB:2015:1801 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van €6534,11 wegens verzwegen inkomsten als zelfstandige. De Raad beslist voor het eerst over de gevolgen in bijstandszaken van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Als ingangsdatum van het aangescherpte Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Wwb-zaken moet 1 januari 2013 worden aangehouden. Het vanaf die datum gecreëerde boeterecht vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de (standaard)boete fors verhoogd is. De Raad ziet in dit geval geen grond voor het matigen van de boete omdat opzet is aangetoond, aangezien appellant de werkzaamheden willens en wetens niet heeft gemeld om te voorkomen dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor zijn uitkering of zou kunnen leiden tot strafvervolging.

ECLI:NL:CRVB:2015:1879 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit de exploitatie van een hennepkwekerij in de woning van appellant. De Raad beslist voor het eerst over de gevolgen in bijstandszaken van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Als ingangsdatum van het aangescherpte Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Wwb-zaken moet 1 januari 2013 worden aangehouden. Het vanaf die datum gecreëerde boeterecht vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de (standaard)boete fors verhoogd is. De Raad ziet in dit geval grond voor het matigen van de boete. Daarbij is van belang dat het gaat om een relatief kleine hennepkwekerij (zes planten), appellant niet strafrechtelijk was vervolgd, hij telkens heeft gesteld dat de hennepplanten waren bedoeld voor eigen gebruik en er nog geen hennep was geoogst.

ECLI:NL:CRVB:2015:1953 - Ingangsdatum bijstandsaanvraag. De Raad oordeelt dat een binnen de zoekperiode van vier weken ingediende aanvraag om bijstand van een jongere moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Wwb en dat de wettelijke zoekperiode hieraan niet in de weg staat. Dat de bijstandsaanvragen onvolledig waren, onder meer omdat deze nog moesten worden ondertekend, betekent niet dat er geen aanvragen om bijstand tot stand zijn gekomen. Het college heeft ten onrechte met ingang van een latere datum bijstand toegekend. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand wordt toegewezen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2236 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand omdat betrokkene een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Vanwege het grote aantal bekeuringen is betrokkene niet in staat gebleken om een nieuwe baan als taxichauffeur te aanvaarden en heeft hij aldus verwijtbaar gangbare arbeid verloren. De gemeentelijke verordening mist op het punt van afstemming van de maatregel op de hoogte van het benadelingsbedrag verbindende kracht omdat concrete criteria ontbreken om de hoogte en duur van de maatregel te kunnen vaststellen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2451 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging omdat appellante het college niet, dan wel niet tijdig, op de hoogte heeft gesteld van haar verhuizing naar een andere gemeente. Omdat appellante voorafgaand aan het afleggen van haar verklaring aan de sociaal rechercheur niet de cautie is gegeven, kan haar verklaring niet aan de opgelegde boete ten grondslag worden gelegd. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante onjuiste of onvolledige inlichtingen over haar woonplaats heeft verstrekt. Het college was dan ook niet bevoegd om een boete op te leggen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2497 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten over vermogen in onroerend goed in Marokko beschikken boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen. De Raad oordeelt dat op grond van de door het college verrichte taxatie het recht op bijstand voorafgaande aan de taxatie niet is vast te stellen en dat appellanten bij gebreke van taxatie een aanvullend recht niet aannemelijk hebben gemaakt. Over de periode na de taxatie is er geen recht in verband met de overschrijding van de vermogensgrens.

ECLI:NL:CRVB:2015:2506 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant ondanks zijn inschrijving op het adres van een opvanginstelling feitelijk op een ander adres verblijft. Aangezien appellant onderdak heeft bij familie en vrienden kan hij niet als dakloze worden aangemerkt. Appellant is geadviseerd om bijstand aan te vragen op het adres waar hij feitelijk verblijft. De Raad is van oordeel dat de invulling door het college van het begrip zwervend dakloze niet in strijd is met de wet of de betreffende vaste rechtspraak. Het verzoek om bijstand is een besluit op aanvraag, zodat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij een zwervend bestaan leidt.

ECLI:NL:CRVB:2015:2792 - Toekenning bijstandsuitkering met oplegging van de verplichting dat betrokkene als dakloze elke nacht gebruik dient te maken van de nachtopvang. Oplegging van maatregelen omdat betrokkene telkens niet aan deze verplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze nadere verplichting op een ondeugdelijke grondslag berust. De enkele omstandigheid van dakloos zijn betekent niet dat het verblijven in de nachtopvang voor betrokkene gericht is op arbeidsinschakeling. Nadere toelichting ontbreekt waarom een minder ingrijpende verplichting zoals dagbesteding niet zou volstaan. Voorts staan gemaakte afspraken in geval van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en aanwezige kosten niet in de weg aan het aannemen van procesbelang. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is niet sprake van een eenvoudige zaak en moet deze zaak als gemiddeld (factor 1) worden aangemerkt.

ECLI:NL:CRVB:2015:2982 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante vanaf de datum in geding niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Er is voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellante in de periode in geding niet langer duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Het bewijs tijdens het huisbezoek is onrechtmatig verkregen en mag niet worden betrokken bij de beoordeling. De Raad oordeelt dat de zogeheten "indruisregel" niet opgaat ten aanzien van de aan het huisbezoek voorafgaande periode. Aan de indruisregel ligt ten grondslag dat een weigering om aan het huisbezoek mee te werken - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - gevolgen zou hebben gehad voor het recht op bijstand voor de periode vanaf de datum van het huisbezoek. Deze weigering zou op zichzelf geen gevolgen hebben gehad voor het verleden. Daarom is het niet juist om het onrechtmatig verkregen bewijs (wegens gebrekkig "informed consent") wel te betrekken in de beoordeling van de periode voorafgaand aan het huisbezoek.

ECLI:NL:CRVB:2015:3122 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant geen geldige verblijfstitel heeft en dat daarom geen recht op bijstand bestaat. Als gevolg hiervan valt hij tevens onder artikel 16, tweede lid, van de Wwb, zodat evenmin uit hoofde van zeer dringende redenen bijstand kan worden toegekend. Het beroep op artikel 3 en 8 van het EVRM faalt.

ECLI:NL:CRVB:2015:3188 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Betrokkene dient aannemelijk te maken van wie, wanneer en op welke wijze en tot welk bedrag hij een lening heeft ontvangen en dat uiterlijk bij de betaling is afgesproken dat het een terug te betalen lening betreft. Het college kan aan de bijstandverlening de voorwaarde verbinden dat de schulden worden terugbetaald. Indien de lening hoger is dan de bijstandsnorm, dient het meerdere als inkomen bij de bijstandverlening te worden betrokken.

ECLI:NL:CRVB:2015:3294 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel van 50% gedurende twee maanden omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college niet te melden dat zij maandelijks van haar ex-partner goederen voor haar kinderen ontving ter waarde van €120,66. De Raad oordeelt dat deze middelen geen inkomsten in natura betreffen omdat geen sprake is van een door appellante opgeofferd bedrag nu zij geen aanspraak heeft op deze goederen. De bijstand moet worden afgestemd in de vorm van een verlaging tot het bedrag van de waarde van de ontvangen goederen. De maatregel is terecht opgelegd omdat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door het ontvangen van de goederen niet aan het college te melden. Verrekening van de dwangsom met de openstaande vordering is toegestaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:3401 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Het feit dat over een periode van bijna twee maanden in het buitenland pinopnames met de bankpas van appellant hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt de vooronderstelling dat die opnames zijn gedaan door appellant. Appellant is er niet in geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken.

ECLI:NL:CRVB:2015:3662 - Intrekking en (mede)terugvordering van onder meer de bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellant heeft een huisbezoek geweigerd. De Raad oordeelt dat in het midden kan blijven of appellant op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek is gewezen omdat, ook als dat niet zo zou zijn, niet is gebleken dat appellant daarvan nadeel heeft ondervonden. Hij was immers al op de hoogte van zijn rechten en verplichtingen ten aanzien van het voorgenomen huisbezoek en de gevolgen van het niet nakomen van die verplichtingen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3723 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzegen) gezamenlijke huishouding. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - volgens de Hoge Raad heeft de CRvB een onjuiste maatstaf gehanteerd ten aanzien van de vaststelling van het hoofdverblijf - concludeert de CRvB dat niet aannemelijk is gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de ene betrokkene tijdens de te beoordelen periode op het adres was waar de andere betrokkene zijn hoofdverblijf had.

ECLI:NL:CRVB:2015:3792 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar zus op het adres van haar zus. Omdat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, bestaat er volgens het college geen recht meer op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad oordeelt dat er wel sprake is van hoofdverblijf op hetzelfde adres, maar niet van wederzijdse zorg. Omdat het louter gezamenlijk boodschappen doen te duiden is als een voornamelijk sociale activiteit en de overige (zorg)elementen van onvoldoende gewicht zijn, is er geen sprake van wederzijdse zorg en is dus niet voldaan aan de vereisten van een gezamenlijke huishouding.

ECLI:NL:CRVB:2015:3917 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat het hoger beroep niet slaagt. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit werkzaamheden bij een croissanterie. Omdat verzoeker evenmin opgave heeft gedaan van de omvang van zijn werkzaamheden, is het recht op bijstand niet vast te stellen. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig onderzoek. Er is voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat de handhavingsspecialisten verzoeker - en niet zijn broer - werkend in de croissanterie hebben waargenomen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4380 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en daardoor geen recht heeft op bijstand in de periode in geding. De Raad oordeelt dat het college met de door het CJIB verstrekte informatie onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant zich aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken. Nu appellant op het uitkeringsadres stond ingeschreven, gesteld heeft daar steeds woonachtig te zijn en ook voor het college bereikbaar is geweest, is de mededeling van de politie dat betrokkene was "vertrokken onbekend waarheen", zonder nadere onderbouwing, ontoereikend voor de conclusie van het college dat justitie pogingen zou hebben gedaan om tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te komen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4399 - Weigering bijstandsuitkering en terugvordering voorschot omdat appellante niet volledig heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat was bedoeld om inzicht te krijgen in haar woon- en leefsituatie. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat het college voorafgaand aan een huisbezoek kan volstaan met het geven van een globale aanduiding waarop de redelijke grond van het huisbezoek is gebaseerd. Er is voldaan aan het vereiste van "informed consent".

ECLI:NL:CRVB:2015:4752 - Weigering Bbz-uitkering omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Afwijzing voorlopige voorziening wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang. Een voorlopige voorziening is niet bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Verzoeker heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare stukken inzichtelijk gemaakt dat uitbetaling van het achterstallig loon tot gevolg heeft dat hij zijn onderneming moet staken.

ECLI:NL:CRVB:2015:4841 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand omdat appellant onvoldoende heeft gesolliciteerd en hij niet langer meewerkt aan een op arbeidsinschakeling gericht re-integratietraject. De Raad oordeelt dat bij het opleggen van een re-integratievoorziening maatwerk moet worden geleverd. Indien appellant acht maanden een traject heeft gevolgd dat is gericht op stimuleren en motiveren en hem niet duidelijk is gemaakt waarom en tot hoelang hij dezelfde werkzaamheden in dit traject nog moet blijven verrichten, treft hem geen verwijt indien hij niet meer meewerkt aan het traject.

ECLI:NL:CRVB:2015:4881 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante haar hoofdverblijf heeft op het adres van betrokkene buiten de gemeente en op dat adres met hem een gezamenlijke huishouding voert. De Raad oordeelt dat de verschillende stapsgewijs gehanteerde onderzoeksmiddelen, waaronder cameraobservaties, voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de daarmee gemaakte inbreuk op respect voor het privéleven van appellante is gerechtvaardigd.

ECLI:NL:CRVB:2015:4886 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit prostitutie en verzwegen bezit van een woning in Marokko, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tevens heeft het college de bijstand vanaf de datum in geding ingetrokken op de grond dat appellant vanwege zijn detentie geen recht op bijstand heeft. De Raad oordeelt dat het college gebruik mag maken van de bevindingen uit de strafrechtelijke procedure in zijn eigen onderzoek en daar niet terughoudend mee om hoeft te gaan, ook al is het strafvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:4903 - Beëindiging bijstandsuitkering omdat betrokkene niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb in verbinding met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz (het besluit). Betrokkene kan niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. De Raad oordeelt dat voor de vraag of sprake is van een aanvraag om voortgezette toelating als bedoeld in het besluit bepalend is of de aanvrager dezelfde grond aanvoert die reeds eerder de Minister van Justitie bewoog tot de instemming met het bestendig verblijf van de vreemdeling hier te lande.

ECLI:NL:CRVB:2016:9 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van 100% van het benadelingsbedrag wegens verzwegen inkomsten uit hennepteelt. Omdat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden over de exacte omvang van de hennepteelt, de oogsten en de daaruit ontvangen inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad geeft nadere invulling en uitwerking aan het boeteregime in bijstandszaken. De Raad oordeelt dat vanwege de financiële omstandigheden en de draagkracht van appellant de boete dient te worden gematigd tot 24 maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

ECLI:NL:CRVB:2016:10 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van 100% van het benadelingsbedrag van €23.300,- wegens het verwijgen van twee bankrekeningen waarop in de periode in geding in totaal €37.274,43 aan stortingen en bijschrijvingen zijn gedaan. De Raad geeft nadere invulling en uitwerking aan het boeteregime in bijstandszaken. De rechtbank heeft terecht de boete gematigd tot 12 maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm tot een bedrag van €1990,-. De verwijtbaarheid van betrokkene noch de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, geven aanleiding om van een lager bedrag uit te gaan. Er is geen grond voor bijstelling van wat reeds (deels door een derde) is betaald.

ECLI:NL:CRVB:2016:1007 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote en dat hij daardoor geen zelfstandig subject van bijstand is. In dit geval is de Wwb het toetsingskader, omdat het bestuursorgaan vóór 1 januari 2015 heeft beslist op een vóór die datum ingediende aanvraag om bijstand. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, van de Wwb geldt een onweerlegbaar rechtsvermoeden als uit de relatie van betrokkenen een kind is geboren. De aanwezigheid van een rechtsvermoeden leidt zonder nader onderzoek tot de vaststelling dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarbij is de leeftijd van het kind en de vraag of voor het kind nog een verzorgingsplicht geldt niet van belang.

 

 

Zie ook: voor de Wwb relevante Abw-jurisprudentie